Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 18 februari 2020
[appellant],
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
grieven 1 tot en met 4valt [appellant] het oordeel van de kantonrechter aan dat het strafvorderlijk optreden niet als onrechtmatig kan worden beschouwd, nu niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria, zoals die volgen uit de rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 13 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6956, Begaclaim-arrest). [appellant] stelt dat hij zijn vader geen strafbare feiten hebben gepleegd en dat zij nooit als verdachte hadden mogen worden aangemerkt. Volgens [appellant] is dit ook aantoonbaar het feitelijke standpunt van het OM geweest. De toenmalige direct-leidinggevende van zijn vader zou in een telefoongesprek met zijn vader hebben verteld, dat de behandelend officier van justitie dat eerder aan hem had bevestigd. Dat [appellant] ten onrechte als verdachte is aangemerkt, volgt ook uit het feit dat de geüniformeerde agenten die bij het incident aanwezig waren en feitelijk eenzelfde rol speelden als [appellant] en zijn vader, evenmin als verdachte zijn aangemerkt. Volgens [appellant] was het zonneklaar dat het binnengaan in de eigen woonruimte, mits er sprake is van proportioneel en subsidiair juist handelen, geen strafbaar feit kon opleveren (overmacht bij noodtoestand, met bovendien voorwaardelijke opzet in combinatie met het “doen plegen” van vernieling door de stiefvader). [appellant] meent dat het feit dat zijn vader politieman was ten onrechte een rol heeft gespeeld bij de beslissing een onderzoek jegens hem in te stellen. [appellant] wijst erop dat in 2014 in feite geen sprake was van een strafrechtelijk onderzoek tegen hem, maar uitsluitend van een voorwaardelijk integriteitsonderzoek tegen zijn vader, en dat er buiten het telefoontje van 20 februari 2015 met de mededeling dat hij die middag naar het bureau moest komen om als verdachte te worden gehoord, ook geen schriftelijke of mondelinge communicatie tussen de politie/het OM en hem is geweest. Zelfs de afdoeningsbrief van 4 maart 2005 is alleen aan het adres van zijn vader gezonden, terwijl zijn nieuwe adres al bekend was, aldus [appellant]. Voorts merkt [appellant] op dat vernieling (art. 350 Sr Pro) een relatief klachtdelict is en dat dus in verband met de relatie tussen hem en zijn stiefvader een klacht bij een (hulp)officier van justitie was vereist. Omdat een dergelijke klacht ontbrak, hadden er geen opsporingshandelingen mogen worden verricht. [appellant] stelt verder dat hem en zijn zoon ten onrechte is verweten dat zij niet hebben meegewerkt aan een bemiddeling, omdat alles al financieel was afgehandeld in de vaststellingsovereenkomst van december 2014. Het ontbreken van die medewerking kon daarom geen legitimatie vormen voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Bovendien had men nagelaten te verifiëren of bemiddeling de instemming had van het vermeende slachtoffer (de stiefvader). Er is in strijd gehandeld met artikel 51h lid 1 (er is niet bemiddeld in een zo vroeg mogelijk stadium) en lid 3 Sv (instemming slachtoffer ontbrak).