Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 10 september 2019
[appellant] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
"ultimum remedium: when the shit hits the fan scenario”. In deze mail heeft hij de gang van zaken benoemd als een terreuractie van het OM, gericht tegen hem en zijn zoon, heeft hij gewezen op de persoonlijke gevolgen daarvan voor hem en zijn zoon en heeft hij geschreven:
"Ik zal, zolang ik dit nodig acht, vanaf nu op bepaalde dagen een aantal uren te vinden zijn voor de ingang van de Rechtbank Noord-Holland met een tekstbord, waarbij ik desgevraagd aan iedere voorbijganger zal uitleggen wat er hier precies aan de hand is. Voor een eerste indruk: zie bijgaande foto. Publiciteit is mijn laatste redmiddel om uit deze benarde situatie te komen.". Bij de mail is een foto gevoegd waarop [appellant] voor de ingang van de rechtbank staat met een groot bord met de tekst
" [parketsecretaris] /OM: Mijn zoon = géén verdachte! Stop "HETZE" politie (VIK)".
grieven 1 tot en met 6valt [appellant] het oordeel van de rechtbank aan dat het strafvorderlijk optreden niet als onrechtmatig kan worden beschouwd, nu niet is voldaan aan de daarvoor geldende criteria (zogeheten a-grond en b-grond, zie hieronder: alinea 8.1.). [appellant] stelt dat zijn zoon en hij geen strafbare feiten hebben gepleegd en dat zij nooit als verdachte hadden mogen worden aangemerkt. Volgens [appellant] is dit ook aantoonbaar het feitelijke standpunt van het OM geweest. Zijn toenmalige direct-leidinggevende zou in een telefoongesprek met [appellant] hebben verteld, dat de behandelend officier van justitie dat hem dat eerder had bevestigd. Nu de zoon van [appellant] niet strafbaar handelde, deed [appellant] dat ook niet door hem behulpzaam te zijn. Dat (de zoon van) [appellant] ten onrechte als verdachte is aangemerkt, volgt ook uit het feit dat de geüniformeerde agenten die bij het incident aanwezig waren en feitelijk eenzelfde rol speelden als [appellant] , evenmin als verdachte zijn aangemerkt. Volgens [appellant] was het zonneklaar dat het binnengaan in de eigen woonruimte, mits er sprake is van proportioneel en subsidiair juist handelen, geen strafbaar feit kon opleveren, althans niet ten aanzien van de zoon van [appellant] (overmacht bij noodtoestand, met bovendien voorwaardelijke opzet in combinatie met het doen plegen van vernieling door de stiefvader). [appellant] meent dat het feit dat hij politieman was ten onrechte een rol heeft gespeeld bij de beslissing een onderzoek jegens hem in te stellen. Voorts wijst [appellant] erop dat vernieling (art. 350 Sr Pro) een relatief klachtdelict is en dat dus in verband met de relatie stiefvader/stiefzoon een klacht bij een (hulp)officier van justitie was vereist. Omdat een dergelijke klacht ontbrak, hadden er geen opsporingshandelingen mogen worden verricht. [appellant] stelt verder dat hem en zijn zoon ten onrechte is verweten dat zij niet hebben meegewerkt aan een bemiddeling, omdat alles al financieel was afgehandeld in de vaststellingsovereenkomst van december 2014. Het ontbreken van die medewerking kon daarom geen legitimatie vormen voor het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Bovendien had men nagelaten te verifiëren of bemiddeling de instemming had van het vermeende slachtoffer (de stiefvader). Met
grief 7betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 4 maart 2015 van de hoofdofficier van justitie niet onrechtmatig jegens hem is geweest.