ECLI:NL:GHDHA:2020:761
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- A.E. Sutorius-Van Hees
- M.W. Koek
- A.A.F. Donders
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gezamenlijk ouderlijk gezag en uitgekleed gezag over minderjarige
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de vader gezamenlijk ouderlijk gezag kon krijgen over zijn minderjarige kind, dan wel een vorm van uitgekleed gezag. De rechtbank had de vader uitgekleed gezag toegekend, waarbij hij de dagelijkse opvoeding en belangrijke beslissingen aan de moeder moest overlaten, met uitzondering van verhuizing. De moeder ging hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat het begrip uitgekleed gezag geen wettelijke basis heeft en daarom niet kan worden erkend of geregistreerd in het Centraal Gezagsregister. Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank op dit punt. Vervolgens beoordeelde het hof het verzoek van de vader op grond van artikel 1:253c BW voor gezamenlijk gezag.
Het hof stelde vast dat de ouders een ernstig verstoorde relatie hebben met geen communicatie en groot wantrouwen, waardoor gezamenlijk gezag niet in het belang van het kind is. De vader erkende zelf dat overleg onmogelijk is. Ook de Raad voor de Kinderbescherming onderschreef dat het kind klem of verloren kan raken bij gezamenlijk gezag. De vrees van de vader dat de moeder met het kind naar het buitenland zou verhuizen werd door het hof ongegrond verklaard.
Daarom wees het hof het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag toe te kennen af. De vader behoudt wel het recht op omgang en informatie over het kind. Deze beslissing werd op 25 maart 2020 door het Gerechtshof Den Haag uitgesproken.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader om gezamenlijk gezag toe te kennen af en vernietigt het uitgeklede gezag van de rechtbank.