Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum,
verweerster in cassatie,
advocaat: H.J.W. Alt,
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
- dat de minderjarige wekelijks gedurende een uur onder begeleiding van de GI en buiten aanwezigheid van de moeder bij de vader zal zijn;
- dat deze regeling na de eerste vier contactmomenten wordt uitgebreid met een wekelijks contactmoment via videobellen, gedurende dertig minuten;
- waarbij vervolgens wordt toegewerkt naar uitbreiding van de zorgregeling in duur, locatie en onbegeleid;
- de ene week op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur en de andere week op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur;
- iedere woensdag van 13.00 uur tot 17.00 uur;
- de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de moeder de minderjarige bij de vader brengt en de vader de minderjarige na afloop weer bij de moeder terugbrengt, althans ten aanzien van de zorgregeling een beslissing te nemen als het hof vermeent te behoren, met veroordeling van de moeder in de proceskosten van het geding in hoger beroep.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1.1.op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 februari 2020 en het advies van de GI die beide adviseren om de vader mede met het gezag te belasten. Door van dit advies af te wijken had het hof partijen voldoende inzicht moeten geven in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang. Dat er sprake is van een slechte verstandhouding en dat er geen sprake is van communicatie is volgens het onderdeel onvoldoende omdat dit omstandigheden betreffen die ten tijde van het advies van de raad en de GI ook al aanwezig waren.
Subonderdeel 2.1.2 en 2.1.3betogen dat het hof een onjuiste invulling heeft gegeven aan het klem-criterium omdat het hof heeft miskend en heeft nagelaten om daadwerkelijk te onderzoeken of de minderjarige als gevolg van het gezamenlijk gezag klem komt te zitten dan wel heeft het hof dit onvoldoende gemotiveerd. Ter toelichting op de onderdelen wordt gewezen op de essentiële stelling van de vader dat zijn aanwezigheid in het leven van de minderjarige voor spanning zorgt, maar dat niet is gebleken dat de gezamenlijke uitoefening van het gezag heeft geleid tot een objectiveerbare toename van de spanning bij de moeder.
Subonderdeel 2.1.4wijst op de stelling van de vader dat de vader bereid is om zich terughoudend op te stellen als het gaat om gezagsbeslissingen. Het onderdeel klaagt dat het hof deze stellingen ten onrechte niet heeft meegewogen in de beoordeling. Tot slot voert
subonderdeel 2.1.5nog aan dat het oordeel van het hof dat niet te verwachten valt dat binnen afzienbare tijd de communicatie tussen de ouders zal verbeteren niet aan de motiveringseisen voldoet, omdat zonder nadere toelichting die ontbreekt niet begrijpelijk is dat het hof meent dat er in dit verband een inspanningsverplichting op de moeder rust.
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen (klem-criterium), of
b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is (noodzakelijkheidscriterium).