In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam is de verdachte onder meer beschuldigd van poging tot doodslag, bedreiging met een vuurwapen, vernieling en wederspannigheid. Het hof heeft vastgesteld dat niet de verdachte, maar een ander de schutter was bij de schietpartij op 25 april 2017, en dat onvoldoende bewijs bestaat dat de verdachte medepleger was of opzettelijk handelde met vuurwapens. Hierdoor spreekt het hof verdachte vrij van de feiten betreffende poging tot doodslag, bedreiging en vernieling.
Ten aanzien van het feit van wederspannigheid tegen een politieambtenaar op 16 augustus 2017 is het hof van oordeel dat de verdachte zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar die zijn rechtmatige taak uitvoerde. Het verweer van noodweer wordt verworpen omdat de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een wederrechtelijke aanranding. De verdachte wordt hiervoor veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, met aftrek van voorarrest.
De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen worden afgewezen omdat de verdachte is vrijgesproken van de feiten waarop deze vorderingen gebaseerd waren. Ook wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf afgewezen. Het hof vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht conform deze overwegingen.