Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 21 april 2020
[appellante],
[geïntimeerde],
Het verloop van het geding
De feiten
Het geschil in eerste aanleg
- vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat;
- vergoeding aan [geïntimeerde] van € 3.567,05 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- voldoening aan [geïntimeerde] van een voorschot op de door [geïntimeerde] geleden schade ten belope van € 40.000,-
De beoordeling van het geschil in hoger beroep
“Er zaten regelmatig gaten in de kant. Dit jaar is andere beschoeiing aangebracht. Er zaten te korte platen in, die gingen maar een klein stuk het water in. Nu zijn de platen verder in de grond gezet.”Het is niet relevant dat [appellante] niet is gestruikeld over de beschoeiing zelf; door het gebrek van de beschoeiing ontstond immers een gevaar in de vorm van gaten langs de beschoeiing. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 6:174 BW Pro.
“Ik kan me voorstellen dat je rechtstreeks het water in springt. Ik hoor onze vriend, de heer Jongerius, zeggen dat hij ook altijd op die manier in het water springt. De sinkhole was vlakbij het trappetje.”Bij het pleidooi in hoger beroep is hier namens [appellante] nog aan toegevoegd dat de ernst van het gevaar dat [geïntimeerde] liep niet tot haar bewustzijn was doorgedrongen (pleitnota mr. Knoester onder 2.10). Dan valt naar het oordeel van het hof ook niet in te zien waarom de aanmerkelijke ernst van het gevaar van een sinkhole wel tot [geïntimeerde], die slechts te gast was op het eiland, had moeten doordringen.
De beslissing in hoger beroep
in zoverre opnieuw recht doende: