Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 7 april 2020
[appellante],
[geïntimeerde],
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
primairgevorderd (samengevat) een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden, althans ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en
subsidiairveroordeling van [geïntimeerde] om binnen twee dagen na betekening van dit arrest al zijn zaken uit de gang en al zijn huisdieren te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag. Voorts heeft zij gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 490,69 per maand vanaf 1 juli 2017 te vermeerderen met de jaarlijkse huurverhoging tot aan de dag van de ontruiming. Tot slot heeft zij gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 462,50, de proceskosten van beide instanties en de nakosten.
eerstegrief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de gevraagde ontbinding alleen kan worden gebaseerd op de betalingsachterstand en niet op de andere aangevoerde gronden. In de toelichting bij deze grief wijst [appellante] erop dat [geïntimeerde] zich structureel niet houdt aan het verbod om huisdieren te houden en veel spullen in de gemeenschappelijke gang opslaat. Voorts heeft [geïntimeerde] plantenbakken en stoelen bij de vluchtroute naar buiten geplaatst waardoor deze wordt belemmerd. De
tweedegrief richt zich tegen het oordeel dat de buitengerechtelijke kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat niet is gebleken dat een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven. In de
derdegrief wordt aangevoerd dat een onvoorwaardelijke ontbinding gerechtvaardigd is en dat ten onrechte niet de doorbetaling van de huur is toegewezen.