Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 28 april 2020
[appellant] , handelend onder de naam [appellant] Vastgoed,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief 1is gericht tegen het oordeel dat [appellant] geen vordering heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Huurcommissie. [appellant] voert aan dat hij na die uitspraak met de huurders een aanvullende overeenkomst heeft gesloten die ertoe strekt dat zij (toch) het oorspronkelijk overeengekomen bedrag zullen betalen.
Grief 2is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat een eventuele mondelinge afspraak die afwijkt van het oordeel van de Huurcommissie op grond van artikel 7:265 BW Pro nietig is. Met
grief 3komt [appellant] op tegen het feit dat de kantonrechter de huurprijs van (in totaal) € 709,49 toepast vanaf 1 mei 2015. Volgens [appellant] is de verlaging ingegaan per 1 augustus 2015. Verder heeft de kantonrechter ten onrechte gerekend over een periode van 33 maanden in plaats van 34 maanden.
Grief 4komt op tegen het oordeel dat er ten tijde van het dagvaarden en ten tijde van het verstekvonnis geen huurachterstand was en dat daarom de vorderingen van [appellant] zijn afgewezen.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [appellant] tot betaling van € 1.393,34 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;