Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 12 mei 2020
1. [naam] V.O.F.,
2. [appellante]
3. [appellant] ,
[geïntimeerde] ,
De procedure
Waar het in deze zaak om gaat
31 december 2005.
80-100%. Per 26 september 2016 is [geïntimeerde] voor de AOW en het Pensioenfonds Vervoer gepensioneerd.
“het mislopen van premievrije voortzetting/pensioengemis als gemeld in de dagvaarding”en (2) daarnaast dat [appellanten] worden veroordeeld tot betaling van (a) een schadevergoeding van € 42.374,,-- en (b) buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.
"schade als gevolg het mislopen van premievrije voortzetting") en de schadeberekening van PROambt overgelegd bij akte overlegging van 8 februari 2018 begrijpt het hof dat het [geïntimeerde] – ook waar het de tekortkoming (b) betreft – met name gaat om de premievrije opbouw waarop hij bij het Pensioenfonds Vervoer aanspraak had in verband met gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, respectievelijk zou hebben gehad in verband met zijn toegenomen arbeidsongeschiktheid als hij deelnemer was gebleven bij dat pensioenfonds. [geïntimeerde] vordert immers niet algehele nakoming van de pensioenregeling van het Pensioenfonds Vervoer, noch de volledige schade als gevolg van het niet langer toepassen van die pensioenregeling. [geïntimeerde] vordert alleen zijn schade bestaande uit de misgelopen premievrije pensioenopbouw over de periode 1 januari 2006 tot
1 januari 2009 en de periode van 8 november 2010 tot aan zijn AOW. Zo heeft ook de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] opgevat, en daartegen heeft geen van partijen gegriefd. Het hof zal de vordering daarom ook aldus opvatten.
grieven 1, en 3 tot en met 6betogen [appellanten] dat zij niet aansprakelijk zijn voor het gemis van [geïntimeerde] aan premievrije opbouw van zijn pensioen bij Pensioenfonds Vervoer over de periode van 20 januari 2003 (het hof begrijpt: 1 januari 2006) tot
1 januari 2009, omdat het niet op haar weg lag om dit verzoek te doen. Doordat [naam] VOF de volledige pensioenpremie heeft doorbetaald over de periode tot 1 januari 2006, heeft [geïntimeerde] – zo blijkt ook uit eerder genoemde berekening van PROambt – over de periode van 20 januari 2003 tot 1 januari 2006 geen schade geleden.
1 januari 2009. Van eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] op dit punt is geen sprake.
grief 7stellen [appellanten] aan de orde het oordeel van de kantonrechter dat zij in verband met de wijziging van de pensioenregeling in 2006 van middelloon naar beschikbare premie in beginsel jegens werknemers een informatieplicht hadden aangaande mogelijke negatieve gevolgen van de wijziging. Daarbij hebben [appellanten] voorop gesteld (het oordeel van de kantonrechter volgend) dat de gestelde schade niet het gevolg is van de wijziging. Het hof zal daarom beoordelen of [geïntimeerde] ook na
31 december 2005 recht had op voortzetting van deelname aan de pensioenregeling van Pensioenfonds Vervoer en of het stopzetten van deze deelname schade heeft veroorzaakt.
8 november 2010 recht gehad op premievrijstelling voor deze regeling. In zoverre faalt grief 7. Of de wijziging tot schade heeft geleid wordt hierna beoordeeld.
grief 8betogen [appellanten] dat de toegekende schadevergoeding van € 31.429,07 te hoog is. Het hof overweegt als volgt.
grief 2betogen [appellanten] dat [geïntimeerde] in aanmerking kwam voor premievrijstelling bij Interpolis toen zijn arbeidsongeschiktheidspercentage voor de WAO op
8 november 2010 werd verhoogd tot 80-100%. Het lag primair op de weg van [geïntimeerde] om een aanvraag daarvoor te doen bij Interpolis. [geïntimeerde] was zich er van bewust dat arbeidsongeschiktheid in het kader van het pensioen van belang was. Hij heeft dit immers vermeld in een door hemzelf aan Interpolis verzonden aanvraagformulier. [geïntimeerde] had zijn schade moeten beperken door een poging te doen alsnog premievrijstelling te krijgen, aldus nog steeds [appellanten]
grief 9dat de schadevergoeding moet worden gematigd vanwege eigen schuld van [geïntimeerde] en omdat de billijkheid dit eist omdat [appellanten] de schadevergoeding gewoonweg niet kunnen betalen (art. 6:101, 6:2 en 6:248 lid 2 BW).
€ 24.500,--. .
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [appellanten] aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 24.500,--, op een wijze die door [geïntimeerde] zal worden aangeven en die voor [appellanten] (om fiscale redenen) niet kostenverhogend is;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- compenseert de kosten van het hoger beroep;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
A.G. van Marwijk Kooij en is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door
mr. J.E.H.M. Pinckaers, op 12 mei 2020 .