Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 19 mei 2020
Looye Projecten B.V.,
VABO Ontwikkeling B.V.,
[naam] Holding B.V.,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
Grief Iis gericht tegen de afwijzing van de boete van € 1.000.000,-. Looye c.s. voeren aan dat de boete verschuldigd is indien [geïntimeerde] hetzij niet meewerkt aan levering, hetzij niet meewerkt aan terugbetaling van het bedrag van € 125.000,-. Beide verplichtingen is [geïntimeerde] niet nagekomen. Het verzuim van [geïntimeerde] heeft betrekking op het niet nakomen van de leveringsverplichting, zodat de boete is verschuldigd. Matiging van de boete is niet aan de orde.
Grief IIkomt op tegen de compensatie van de proceskosten. Looye c.s. zijn van oordeel dat [geïntimeerde] in de kosten had moeten worden veroordeeld.
Grief IIIis gericht tegen het feit dat de rechtbank niet heeft beslist over de vordering met betrekking tot de beslagkosten.
grief Istelt het hof het volgende voorop. De koopovereenkomst heeft te gelden als een commerciële overeenkomst tussen professionele partijen die gedetailleerd is uitgewerkt. Die koopovereenkomst is weliswaar onder tijdsdruk tot stand gekomen, maar, in ieder geval aan de zijde van [geïntimeerde] , wel met bijstand van een advocaat. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft de rechter in een dergelijke situatie de vrijheid om als uitgangspunt groot gewicht toe te kennen aan de meest voor de hand liggende taalkundige betekenis van een omstreden contractsbeding. Deze vrijheid stelt de rechter ook in staat om, vooralsnog zonder een inhoudelijke beoordeling van de stellingen van partijen, te komen tot een voorshands gegeven oordeel aangaande de uitleg van de overeenkomst. De partij die een andere uitleg verdedigt, kan vervolgens tot (tegen)bewijs worden toegelaten. Voorwaarde is echter dat zij voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, de verdedigde uitleg van de overeenkomst kunnen dragen.
Grief IIslaagt daarom ook. Ook de kosten voor het conservatoir beslag komen voor vergoeding in aanmerking, zodat ook de
derde griefslaagt.
Beslissing
in zoverre opnieuw rechtdoende:
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 1.000.000,- (zegge één miljoen euro) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van Looye c.s. tot op 17 april 2019 begroot op € 3.946,- aan griffierecht, € 81,- aan explootkosten en € 7.712,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van een bedrag aan beslagkosten van € 2.580,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Looye c.s. tot op heden begroot op € 5.382,- aan griffierecht, € 81,85 aan explootkosten en € 5.501,- aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- wijst af het meer of anders gevorderde;
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.