ECLI:NL:GHDHA:2020:948
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verklaring voor recht over wilsonbekwaamheid en nietigheid testament tijdens onderbewindstelling
De zaak betreft een hoger beroep van een bewindvoerder die verzocht om een verklaring voor recht dat de onderbewindgestelde ten tijde van het opstellen van zijn testament wilsonbekwaam was en dat het testament nietig is. De rechtbank had dit verzoek afgewezen en het hof bekrachtigt deze beslissing.
De onderbewindgestelde, geboren in 1923, was onder bewind gesteld vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand. Het testament werd in april 2018 opgesteld terwijl een arts op 18 mei 2018 verklaarde dat de onderbewindgestelde niet in staat was zijn wil adequaat te bepalen. De bewindvoerder vermoedde ouderenmisbruik en wilde het testament vernietigen of laten corrigeren.
Het hof overweegt dat een verklaring voor recht op grond van artikel 3:302 BW Pro alleen betrekking kan hebben op rechtsverhoudingen tussen partijen, wat niet het geval is bij een testament dat pas na overlijden werking heeft. Daarnaast is een uiterste wilsbeschikking niet vatbaar voor vernietiging wegens misbruik van omstandigheden volgens artikel 4:43 BW Pro. Het verzoek tot verwijzing naar een dagvaardingsprocedure wordt afgewezen wegens ontbreken van een aan te wijzen gedaagde.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en wijst het verzoek van de bewindvoerder af, waarmee het testament blijft gelden zoals opgesteld.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot verklaring voor recht en nietigheid van het testament wegens wilsonbekwaamheid.