Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
1.[B.V. 1] ,
[B.V. 2] ,
[B.V. 3] ,
[B.V. 4] ,
[B.V. 5] ¸
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak stond de vordering van BDP c.s. tegen MNB centraal, waarbij BDP c.s. schadevergoeding eisten wegens het mislopen van een dividenduitkering door de Holding. De rechtbank had deze vordering toegewezen, en het hof oordeelde in een tussenarrest dat de grieven van MNB tegen deze beslissing faalden.
BDP c.s. verhoogden hun eis met een vordering tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van €2.500.000,- vanaf 9 november 2015 tot 12 april 2019, begroot op €171.232,88. MNB kreeg gelegenheid om hierop te reageren, maar maakte geen gebruik van deze mogelijkheid.
Het hof concludeerde dat de misgelopen dividenduitkering eind 2015 plaatsvond en dat de aanspraak op wettelijke rente eindigde op de dag van executie van het vonnis, 12 april 2019. Omdat MNB de vordering tot betaling van wettelijke rente niet heeft weersproken, werd deze toegewezen. Tevens werden de bestreden vonnissen bekrachtigd en werd MNB veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en veroordeelt MNB tot betaling van wettelijke rente over €2.500.000,- vanaf november 2015 tot april 2019.