Belanghebbende was houder van een personenauto die op 23 en 24 augustus 2019 geparkeerd stond aan een straat in Leiden. De gemeente Leiden legde twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting op, waarvoor invorderingskosten van €7 per aanmaning werden berekend. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de invorderingskosten en verzocht om uitstel van betaling, dat aanvankelijk werd verleend maar later verviel.
De Rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om uitstel van betaling af, waarbij werd geoordeeld dat het beroepschrift geen verzoek om uitstel van betaling inhoudt. Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard en vernietigde de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar.
Het Hof stelde vast dat het verzoek om uitstel van betaling niet op juiste wijze was ingediend, aangezien een beroepschrift niet geldt als een verzoek om uitstel van betaling volgens de beleidsregels van de gemeente Leiden. De Invorderingsambtenaar was daarom terecht overgegaan tot het verzenden van aanmaningen en het in rekening brengen van invorderingskosten. Het Hof veroordeelde de Invorderingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan belanghebbende.