De verdachte heeft op 14 juli 2016 zijn echtgenote met messteken om het leven gebracht, terwijl hij zich in een ernstige paranoïde psychose bevond. Vier gedragsdeskundigen stelden vast dat de verdachte ten tijde van het delict volledig ontoerekeningsvatbaar was en adviseerden geen strafrechtelijke maatregel op te leggen vanwege het uitzonderlijke herstel en het lage recidiverisico.
In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf en terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Het hof vernietigde dit vonnis in hoger beroep en volgde de deskundigen en de advocaat-generaal in het oordeel dat het feit de verdachte niet kan worden toegerekend.
De kinderen van het slachtoffer en de verdachte hadden vorderingen tot immateriële schadevergoeding ingediend, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof compenseerde de proceskosten zodat elke partij haar eigen kosten draagt.
De verdachte bevindt zich in een stabiele situatie met zorg en ondersteuning, en is voornemens een zelfbindingsmachtiging te laten opstellen om risico's op een nieuwe psychose te minimaliseren. Het hof sprak de verdachte vrij en ontsloeg hem van alle rechtsvervolging zonder oplegging van een strafrechtelijke maatregel.