ECLI:NL:GHDHA:2021:1075

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2021
Publicatiedatum
14 juni 2021
Zaaknummer
118219
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 533 SvArt. 534 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onterecht doorgebrachte voorlopige hechtenis

De verzoeker werd in een strafzaak door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken en de uitspraak werd onherroepelijk. Vervolgens vroeg hij een schadevergoeding voor immateriële schade en loonderving als gevolg van de voorlopige hechtenis die hij had ondergaan. De rechtbank wees dit verzoek af. Het hof Den Haag behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de verzoeker wel recht heeft op een schadevergoeding voor immateriële schade over de periode van 10 november 2017 tot en met 6 april 2018.

De rechtbank en de advocaat-generaal hadden dit eerder afgewezen, maar het hof achtte de gronden van billijkheid wel aanwezig om een vergoeding toe te kennen. Het toegekende bedrag voor immateriële schade is € 11.835,-. De gevraagde vergoeding voor loonderving werd door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen. De voorlopige hechtenis betrof 147 dagen, waarvan drie dagen in een politiecel en de rest in een Huis van Bewaring. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021 door het meervoudige hof Den Haag.

Uitkomst: Het hof kent een schadevergoeding van € 11.835,- toe voor immateriële schade door onterechte voorlopige hechtenis en wijst het verzoek voor loonderving af.

Uitspraak

AV-nummer 001182-19
Parketnummer 10-960303-17
Datum uitspraak 14 april 2021

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam, enkelvoudige raadkamer, van 30 april 2019 op een verzoekschrift, op grond van artikel 533 (oud: artikel 89) van het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:

[betrokkene],

geboren te [plaats] (Marokko) op [dag] 1986.
adres: [adres],
in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. C.Y. Kekik, aan de [adres].
Procesgang
De verzoeker is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2018 vrijgesproken van het aan hem in de strafzaak met parketnummer 10-960303-17 tenlastegelegde.
Dit vonnis is onherroepelijk geworden.
Namens de verzoeker is bij een op 8 oktober 2018 ter griffie van de rechtbank ingekomen verzoekschrift gevraagd hem een schadevergoeding toe te kennen van een bedrag van € 17.275,- ter zake van immateriële schade als gevolg van de door hem in zijn strafzaak ondergane voorlopige hechtenis, alsmede van € 15.904,- als vergoeding voor loonderving.
De rechtbank, enkelvoudige raadkamer, heeft bij beschikking van 30 april 2019 dit verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Namens de verzoeker is op 14 mei 2019 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
De raadkamer van het hof heeft dit hoger beroep op 3 maart 2021 in het openbaar behandeld. Daarbij zijn gehoord – waarnemend voor de advocaat van de verzoeker - mr. P.T.P. van der Made, advocaat te Rotterdam, en de advocaat-generaal mr. H.P. Klaver. De verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
In raadkamer is het verzoek om schadevergoeding als volgt gewijzigd:
- het verzochte bedrag ter zake van immateriële schade bedraagt thans € 11.835,- (voor 147 dagen, van
10 november 2017 tot en met 6 april 2018, waarvan drie dagen in een politiecel en voor het overige in een Huis van Bewaring);
- het verzochte bedrag ter zake van loonderving bedraagt thans € 11.360,-.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het hoger beroep.
Beoordeling van het hoger beroep
De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing, die hem op grond van artikel 533, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op toekenning van een vergoeding voor de schade, die hij heeft geleden als gevolg van de door hem ondergane voorlopige hechtenis.
Ingevolge het hier toepasselijke artikel 534, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft toekenning van die schadevergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van het hof, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Immateriële schade
Nu het hof die gronden van billijkheid – anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal - aanwezig acht, zal het hof, met vernietiging van de beschikking waarvan beroep, aan de verzoeker voor de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, te weten van 10 november 2017 tot en met 6 april 2018, een schadevergoeding toekennen.
Op grond van het vorenstaande kent het hof aan de verzoeker een schadevergoeding toe van in totaal een bedrag van € 11.835,-.
Loonderving
De verzochte schadevergoeding ter zake van loonderving is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd, zodat het verzoek in zoverre dient te worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een schadevergoeding toe tot een bedrag van in totaal € 11.835,- (elfduizend achthonderdvijfendertig EURO).
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gewezen door mr. J.M. Reinking, voorzitter, mr. C.M. Derijks en mr. I.M. Abels, leden, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef, en op 14 april 2021 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.