ECLI:NL:GHDHA:2021:1075
Gerechtshof Den Haag
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding voor onterecht doorgebrachte voorlopige hechtenis
De verzoeker werd in een strafzaak door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken en de uitspraak werd onherroepelijk. Vervolgens vroeg hij een schadevergoeding voor immateriële schade en loonderving als gevolg van de voorlopige hechtenis die hij had ondergaan. De rechtbank wees dit verzoek af. Het hof Den Haag behandelde het hoger beroep en oordeelde dat de verzoeker wel recht heeft op een schadevergoeding voor immateriële schade over de periode van 10 november 2017 tot en met 6 april 2018.
De rechtbank en de advocaat-generaal hadden dit eerder afgewezen, maar het hof achtte de gronden van billijkheid wel aanwezig om een vergoeding toe te kennen. Het toegekende bedrag voor immateriële schade is € 11.835,-. De gevraagde vergoeding voor loonderving werd door het hof afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen. De voorlopige hechtenis betrof 147 dagen, waarvan drie dagen in een politiecel en de rest in een Huis van Bewaring. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021 door het meervoudige hof Den Haag.
Uitkomst: Het hof kent een schadevergoeding van € 11.835,- toe voor immateriële schade door onterechte voorlopige hechtenis en wijst het verzoek voor loonderving af.