De zaak betreft een hoger beroep tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin de teruggeleiding van twee minderjarige kinderen naar de Russische Federatie is gelast. De ouders zijn gezamenlijk gezaghebbend volgens Russisch recht en de kinderen verbleven ongeoorloofd in Nederland. De moeder betwistte de teruggeleiding en stelde onder meer dat er sprake was van worteling in Nederland en dat terugkeer tot een ondraaglijke situatie zou leiden.
Het hof bevestigt dat de vader en moeder gezamenlijk gezag hebben en dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar Nederland. De termijn van één jaar voor worteling volgens het HKOV wordt strikt toegepast, waardoor teruggeleiding binnen die termijn verplicht is. De door de moeder aangevoerde uitzonderingen op teruggeleiding worden verworpen omdat geen bijkomende uitzonderlijke omstandigheden zijn gebleken die een ondraaglijke situatie voor de kinderen zouden veroorzaken.
De minderjarigen hebben meerdere hechtingsfiguren in de Russische Federatie, waaronder grootouders, en het hof benadrukt het belang van het behoud van contact met beide ouders. De beschikking tot teruggeleiding wordt bekrachtigd met de aanvullende maatregel dat, indien de moeder de kinderen niet terugbrengt, zij deze uiterlijk op 24 juni 2021 met geldige reisdocumenten aan de vader of aan een vertrouwde derde, de oma moederszijde, moet afgeven. De bijzondere curator wordt ontslagen vanaf de datum van teruggeleiding.