ECLI:NL:GHDHA:2021:1164
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- F. Ibili
- J.A. van Kempen
- M.A.J. Burgers - Thomassen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid gecertificeerde instelling om verblijfplaats minderjarige binnen Nederland te bepalen zonder rechterlijke machtiging
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een gecertificeerde instelling, belast met de (tijdelijke) voogdij over een minderjarige, bevoegd is om zonder rechterlijke machtiging de verblijfplaats van de minderjarige binnen Nederland te wijzigen.
De minderjarige, van Poolse nationaliteit, verbleef sinds februari 2020 in een crisispleeggezin. De gecertificeerde instelling was door de kinderrechter benoemd tot tijdelijke voogd. De kinderrechter had in een eerdere beschikking geoordeeld dat voor een wijziging van de verblijfplaats binnen Nederland vooraf toestemming van de rechter nodig was, maar de gecertificeerde instelling betwistte deze interpretatie.
Het hof oordeelde dat de gecertificeerde instelling dezelfde bevoegdheden heeft als andere voogden volgens artikel 1:303 BW Pro, en dat alleen bij plaatsing buiten Nederland voorafgaande toestemming van de rechtbank vereist is. Daarom verklaarde het hof voor recht dat de gecertificeerde instelling bevoegd is de verblijfplaats binnen Nederland te bepalen zonder machtiging van de rechter.
De ouders waren belanghebbenden maar verschenen niet bij de zitting. De raad voor de kinderbescherming trad adviserend op maar was niet aanwezig bij de mondelinge behandeling. Het hoger beroep werd deels toegekend door het vernietigen van de eerdere beschikking voor zover deze een machtiging vereiste.
Uitkomst: De gecertificeerde instelling is bevoegd de verblijfplaats van de minderjarige binnen Nederland te bepalen zonder machtiging van de rechter.