De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning van belanghebbende voor het kalenderjaar 2019 vast op €472.000. Belanghebbende maakte bezwaar en beroep tegen deze beschikking, maar zowel het bezwaar als het beroep werden ongegrond verklaard door de heffingsambtenaar en de rechtbank. Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het gerechtshof.
Tijdens de mondelinge behandeling op 17 juni 2021 bereikten partijen een compromis waarbij de WOZ-waarde werd vastgesteld op €459.000. Tevens werd overeengekomen dat belanghebbende een forfaitaire proceskostenvergoeding zou ontvangen, gebaseerd op punten toegekend voor bezwaar, beroep en hoger beroep, en dat de betaalde griffierechten vergoed zouden worden.
Het hof vernietigde de eerdere uitspraken en wijzigde de WOZ-beschikking overeenkomstig het compromis. De heffingsambtenaar werd veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van €2.132 en tot vergoeding van de griffierechten van €181 aan belanghebbende. De uitspraak werd op 1 juli 2021 in het openbaar uitgesproken.