Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 10 augustus 2021
[appellante],
[geïntimeerde],
De zaak in het kort
Het verloop van de procedure
- het dossier van de procedure in eerste aanleg, waaronder het vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 17 april 2020, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna te noemen: het (bestreden) vonnis);
- de dagvaarding van [appellante] in hoger beroep van 27 mei 2020;
- de memorie van grieven, tevens akte houdende vermeerdering van eis met een productie van [appellante];
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde];
- de bij het hof op 22 juni 2021 ingekomen akte houdende wijziging van eis van [appellante].
De beoordeling van het hoger beroep
(…)
Clause 2
Clause 7The Lease terminates by operation of law at the date set forth in clause 2, unless the Tenants have informed the Owner by giving written notice that they wish to lease the accommodation upon lapse of the Initial Lease Period for another period of at least 3 (three) months. The written notice must reach the Owner at least 2 months before the last day of the Initial Lease Period.
(…) I bring to your attention that the Lease will expire on 31 august 2019. (…)”.
(…)
(…) unless the Tenants have informed the Owner by giving written notice that they wish to lease the accommodation upon lapse of the Initial Lease Period for another period of at least 3 (three) months. The written notice must reach the Owner at least 2 months before the last day of the Initial Lease Period”.
De procedure in eerste aanleg
De vordering in hoger beroep en de grieven van [appellante]
unless the Tenants have informed the Owner by giving written notice that they wish to lease the accommodation upon lapse of the Initial Lease Period for another period of at least 3 (three) months. The written notice must reach the Owner at least 2 months before the last day of the Initial Lease Period”, (iv) voor zover nodig, een verklaring voor recht dat [appellante] het hiervoor geciteerde gedeelte uit artikel 7 van Pro de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk heeft vernietigd, dan wel vernietiging van dit gedeelte.
Grief Iis gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst na afloop van de initiële looptijd van twee jaar is verlengd als gevolg van het beroep van [geïntimeerde] op artikel 7 van Pro de huurovereenkomst. [appellante] betoogt dat het hiervoor geciteerde gedeelte uit artikel 7 van Pro de huurovereenkomst in strijd is met het recht van [appellante] om de voor bepaalde tijd aangegane huurovereenkomst per 31 augustus 2019 te doen eindigen op grond van artikel 7:271 lid 1 aanhef Pro, onder a en tweede volzin BW. Volgens [appellante] volgt uit de tweede en derde volzin van artikel 7:271 lid 1 BW Pro dat verlenging van de huurovereenkomst tot een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd na afloop van de initiële looptijd van twee jaar, uitsluitend kan plaatsvinden als de verhuurder nalaat de huurder tijdig schriftelijk te informeren over het aflopen van die initiële looptijd. Een verlengingsmogelijkheid voor de huurder, zoals opgenomen in artikel 7 van Pro de huurovereenkomst, is daarmee in strijd en doorkruist de wettelijke regeling van artikel 7:271 lid 1 BW Pro. Volgens [appellante] is een dergelijk verlengingsbeding in de huurovereenkomst, waarbij van artikel 7:271 BW Pro wordt afgeweken, op grond van het zevende lid van dit artikel nietig, althans vernietigbaar. Uit de parlementaire geschiedenis van deze wettelijke regeling blijkt dat zij tot doel heeft om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen en het huuraanbod te vergroten. Daaraan zou afbreuk worden gedaan als de huurder het in zijn uitsluitende macht zou hebben om de huur voor minimaal drie maanden (en daarmee feitelijk voor onbepaalde duur) te verlengen. In lijn met de bedoeling van de wetgever moet ook de verhuurder de mogelijkheid hebben om een beroep op de nietigheid van een dergelijke bepaling te doen, dan wel de bepaling buitengerechtelijk te vernietigen.
Grief IIis gericht tegen de afwijzing van de vorderingen van [appellante] en heeft geen zelfstandige betekenis.
met een verlengingsmogelijkheid voor de huurder. Een dergelijke overeenkomst eindigt niet door het verstrijken van de looptijd van twee jaar, als zij (tijdig) door de huurder wordt verlengd. Artikel 7:271 lid Pro 1, tweede en derde volzin, verbiedt verhuurders en huurders niet om in die verlengingsmogelijkheid te voorzien. Dat staat niet in deze bepalingen en volgt ook niet uit de parlementaire geschiedenis. Een dergelijke afspraak is dus niet in strijd met artikel 7:271 BW Pro en wordt niet getroffen door de nietigheidssanctie van artikel 7:271 lid 7 BW Pro.