ECLI:NL:GHDHA:2021:1617

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2021
Publicatiedatum
2 september 2021
Zaaknummer
BK-21/00117
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek teruggaaf overdrachtsbelasting in hoger beroep

Belanghebbende heeft een verzoek tot teruggaaf van overdrachtsbelasting ingediend, dat door de Inspecteur van de Belastingdienst is afgewezen. Na afwijzing van het bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank Den Haag, die het beroep ongegrond verklaarde.

Belanghebbende stelde vervolgens hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag, terwijl de Inspecteur incidenteel hoger beroep instelde tegen de uitspraak van de Rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling op 24 juni 2021 bereikten partijen een compromis waarbij de beschikking in stand bleef en iedere partij haar eigen proceskosten draagt.

Het Hof volgde dit compromis en bevestigde de uitspraak van de Rechtbank, ongeacht de door de Rechtbank gebruikte gronden. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak werd op 15 juli 2021 in het openbaar uitgesproken en partijen werden geïnformeerd over de mogelijkheid tot cassatieberoep bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de afwijzing van het verzoek tot teruggaaf van overdrachtsbelasting en laat iedere partij haar eigen proceskosten dragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-21/00117

Uitspraak van 15 juli 2021

in het geding tussen:

[Belanghebbende] te [X] , belanghebbende,

(gemachtigde: J.A. Huijgen)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,

(vertegenwoordigers: [A] en [B] )
op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 februari 2021, nummer SGR 19/3969.

Procesverloop

1.1.
Belanghebbende heeft een verzoek tot teruggaaf van overdrachtsbelasting ingediend. De Inspecteur heeft het verzoek tot teruggaaf van overdrachtsbelasting bij voor bezwaar vatbare beschikking (de beschikking) afgewezen.
1.2.
De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking afgewezen.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep is een griffierecht geheven van € 47. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake van dit hoger beroep is een griffierecht geheven van € 134. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft voorts incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daartegen verweer gevoerd. De Inspecteur heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 24 juni 2021. Partijen zijn verschenen. Met toestemming van partijen is tegelijkertijd het hoger beroep van [BV] in de zaak met zaaknummer BK-20/00131 behandeld.

Beoordeling van het geschil

2.1.
Partijen hebben ter zitting bij wege van compromis overeenstemming bereikt over wat hen verdeeld heeft gehouden, inhoudende dat (i) de beschikking in stand dient te blijven, en (ii) iedere partij haar eigen proceskosten draagt.
2.2.
Het Hof volgt partijen in het compromis, zal dienovereenkomstig beslissen en de uitspraak van de rechtbank bevestigen, wat er verder ook zij van de door haar gebezigde gronden.

Proceskosten

Gelet op het hiervoor overwogene zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W.M.G. Visser, H.A.J. Kroon en A. Vroon, in tegenwoordigheid van de griffier M.G. Kastelein. De beslissing is op 15 juli 2021 in het openbaar uitgesproken.
aangetekend aan
partijen verzonden:
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.