Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
1.Het geding
2.Waar de zaak over gaat
4.De procedure bij de kantonrechter
5.Het geschil in hoger beroep
6.De beoordeling
niet slaagtin het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] de woning (in het verleden) heeft onderverhuurd, is het op grond van artikel 150 Rv Pro aan Havensteder om te bewijzen dat [geïntimeerde] zijn hoofdverblijf (in het verleden) niet onafgebroken in de woning heeft (gehad). In dat geval geldt het volgende.
van Havenstedergeldt dat Havensteder, tegenover de betwisting daarvan door [geïntimeerde], niet heeft onderbouwd dat zij ook overdag bij de woning heeft aangebeld. Daarom kan er niet vanuit gegaan worden dat Havensteder ook overdag (vergeefse) huisbezoeken bij [geïntimeerde] heeft afgelegd. Het hof gaat er daarom (vooralsnog) van uit dat de vijf vergeefse bezoeken van Veerkracht allemaal tussen 18.30 en 20.15 hebben plaatsgevonden. Bij de in het eerste rapport genoemde twee bezoeken van Veerkracht staat vermeld dat de brievenbus van de woning leeg was. Volgens [geïntimeerde] wijst dit er op dat de woning werd bewoond. Dit overtuigt niet, aangezien er ook verklaringen van buren zijn dat zij zien dat [geïntimeerde] post ophaalt en dan weer vertrekt. Ten aanzien van de huisbezoeken
van de Gemeentevoert [geïntimeerde] terecht aan dat er in het door Havensteder overgelegde formulier (r.o. 3.7.) tegenstrijdige verklaringen staan. Onder het kopje “opmerking” staat weliswaar dat de woning vele malen is bezocht zonder iemand thuis aan te treffen en dat er van tevoren een afspraak was gemaakt voor het huisbezoek van 14 november 2018, maar onder het kopje “Volledig overzicht” staat dat de eerste huisbezoeken niet zijn “gelopen” en dat het op 14 november 2019 afgelegde huisbezoek niet van tevoren aangekondigd was. Bovendien heeft de controleur blijkens de opmerkingen geconstateerd dat [geïntimeerde] woonachtig was in de woning. Mede in aanmerking genomen de tegenstrijdigheden die het formulier bevat ten aanzien van de huisbezoeken, komt aan deze constatering naar het oordeel van het hof meer gewicht toe dan aan de vermelding dat [geïntimeerde] bij eerdere huisbezoeken niet thuis was.
wel slaagtin het bewijs van haar stelling dat sprake was van onderhuur, is in zoverre sprake van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst. Of die tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt, hangt af van de specifieke feiten en omstandigheden van het geval. De volle omvang van de in deze kwestie relevante feiten en omstandigheden zal pas kunnen worden vastgesteld na de bewijslevering. Zolang de relevante feiten en omstandigheden niet zijn vastgesteld, kan niet worden uitgesloten dat ook in het geval Havensteder slaagt in het bewijs van haar stelling dat sprake is van onderhuur (zodat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst), deze tekortkoming de ontbinding op zichzelf of in verband met de huurachterstand (zie r.o. 6.11 en verder) nog niet rechtvaardigt. In dat geval is mogelijk nog relevant of er ook sprake is van het verplaatsen van het hoofdverblijf uit de woning. Het is in die situatie op grond van artikel 8.16 van de Algemene Huurvoorwaarden aan [geïntimeerde] om aan te tonen dat hij onafgebroken zijn hoofdverblijf in de woning had. Op grond van het in r.o. 6.8.-6.8.7. overwogene is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] dit voldoende heeft aangetoond. Havensteder dient, gelet op haar bewijsaanbod, evenwel te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.