Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 27 oktober 2021
[Y] B.V. te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
treasury centervan het concern. Hiertoe had [de vi] in de relevante jaren gemiddeld 20 werknemers (FTE’s) in dienst die zich bezighielden met de financiële backoffice-activiteiten van het concern. [de vi] heeft de aandelen in [X Treasury] [buitenlandse rechtsvorm] (Treasury [buitenlandse rechtsvorm] verworven, een in [buitenland] gevestigde dochtervennootschap van [X BBV] . Treasury [buitenlandse rechtsvorm] had in de relevante jaren gemiddeld 3 werknemers in dienst, die zich hoofdzakelijk bezighielden met de financiële frontoffice-activiteiten.
Lening”), welke Lening vervolgens is aangewend door de [buitenlandse] vaste inrichting van [ [X BBV] ] (“ [de vi] ”). Nu deze Lening in [buitenlandse] [valuta] is genoteerd, terwijl [belanghebbende] haar jaarrekening in euro’s opstelt, heeft de treasury afdeling van [het concern] die is ondergebracht in [de vi] (“
Treasury”), gemeend een mogelijk koersrisico op de Lening te moeten minimaliseren. Hierbij heeft Treasury opdracht gegeven aan [Treasury [buitenlandse rechtsvorm] ] een aantal zogenaamde Forward Swap Agreements aangegaan met een bank (de “
Hedge"). Vervolgens is [Treasury [buitenlandse rechtsvorm] ] gespiegelde contracten aangegaan met [belanghebbende]. Het totaal van de verschillende Forward Swap Agreements komt overeen met het nominale bedrag van de Lening, waardoor de [valuta] vordering die [belanghebbende] heeft wordt gehedged naar Euro’s.”
Oordeel van de Rechtbank
Beoordeling van het geschil
Omschrijving geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
Beoordeling van het hoger beroep
significant people functions(hierna: het SPF-criterium), worden toegerekend aan de vaste inrichting in [buitenland] en niet aan het hoofdhuis van de fiscale eenheid (belanghebbende). [de vi] is het
treasury centervan de groep en heeft als zodanig uit hoofde van zijn werkzaamheden de beslissing genomen de onnodige valutatermijncontracten aan te gaan; op grond van het SPF-criterium zijn de daaruit voortvloeiende resultaten toerekenbaar aan het [de vi] . Dat in de onderhavige situatie het SPF-criterium moet worden gehanteerd is in overeenstemming met de Authorised OECD Approach (AOA) zoals beschreven in het PE-rapport [1] van de OESO en met het Besluit Winsttoerekening Vaste Inrichtingen [2] (het Besluit), dat de AOA volgt. Aan het Besluit wordt het vertrouwen ontleend dat toerekening dient te geschieden op basis van het SPF-criterium. Voor het geval de valutatermijncontracten al zouden samenhangen met een ander vermogensbestanddeel (quod non), dan kunnen deze contracten alleen samenhangen met de aandelen in Treasury [buitenlandse rechtsvorm] , aangezien de vordering fiscaalrechtelijk niet bestaat en op de deelneming in Treasury [buitenlandse rechtsvorm] wel een valutarisico wordt gelopen. De aandelen in Treasury [buitenlandse rechtsvorm] behoren tot het vermogen van de vaste inrichting en de valutatermijncontracten derhalve ook. Voor het geval, in weerwil van het voorgaande, moet worden geoordeeld dat niettemin sprake is van een functioneel-economisch verband tussen de valutatermijncontracten en de vordering, dan geldt dat óók de vordering op basis van het SPF-criterium aan de vaste inrichting moet worden toegerekend.