Belanghebbende, een vennootschap met een deelneming in een Indonesische verzekeringsmaatschappij, maakte aanspraak op een liquidatieverlies in 2010. De Inspecteur had een deel van het verlies niet in aftrek toegelaten omdat de niet-voortzettingseis volgens de Rechtbank niet was voldaan. Deze eis houdt in dat de onderneming van het ontbonden lichaam geheel is gestaakt of voortgezet door een ander dan de belastingplichtige of een verbonden lichaam.
De Hoge Raad stelt dat de toetsing van deze niet-voortzettingseis moet plaatsvinden op het moment waarop de vereffening van het ontbonden lichaam is voltooid. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis en het karakter van de bepaling als antimisbruikregel, die beoogt te voorkomen dat verliesverrekening binnen een concern wordt misbruikt door voortzetting van de onderneming binnen het concern.
De Hoge Raad vernietigt daarom het oordeel van de Rechtbank en stelt het verlies van belanghebbende voor 2010 vast op € 76.121.000. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van belanghebbende toegewezen. Hiermee wordt de liquidatieverliesregeling in overeenstemming gebracht met de bedoeling van de wetgever en de feitelijke situatie op het moment van vereffening.