Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 30 november 2021
[appellant],
Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V.,
Waar deze zaak over gaat
Het geding
Feiten
Mr. [naam 1]” voor een bedrag van € 13.000,-.
[naam 1]”. [appellant] heeft bij de aanschafprijs wel een bedrag ingevuld, maar dit later weer onleesbaar gemaakt.
schriftelijke aankoop bewijs exclusief bpm van particulier Mr [naam 1]
Het verloop van de procedure bij de kantonrechter
Beoordeling van het hoger beroep
Mr. [naam 1]” voor een bedrag van € 13.000. In het telefoongesprek van 22 mei 2018 heeft [appellant] aan de schadedeskundige verklaard dat hij de motor in België had gekocht voor een bedrag van € 14.750,-, en dat hij in Nederland nog BPM heeft moeten betalen. De totale aankoopkosten bedroegen volgens [appellant] “
ietsjes meer dan 16”, en [appellant] heeft vervolgens aan de schadedeskundige gevraagd of hij “
op z’n minst de aanschafwaarde terug [zou] kunnen krijgen”. [appellant] heeft in deze verklaring gepersisteerd door op 24 mei 2018 een aankoopnota van de motor door [naam 2] aan NN te overleggen waarop de aankoopprijs, naar het oordeel van het hof, evident was vervalst. Op de aankoopnota is het tweede cijfer van de koopprijs handmatig veranderd in een “4”, en het woordelijk uitgeschreven bedrag “
onze mille sept cent cinquante” (“
elfduizendzevenhonderdvijftig”) komt niet overeen met € 14.750,-. Of [appellant] de aankoopnota al dan niet zelf heeft vervalst kan in het midden blijven. Het hof acht het aannemelijk dat [appellant] minder dan € 14.750,- voor de motor heeft betaald. Op de zitting bij het hof van 19 juni 2020 heeft [appellant] namelijk verklaard dat hij de motor voor € 12.000,- van [naam 2] heeft gekocht, en [appellant] heeft deze stelling in de memorie van grieven herhaald (nr. 3.3). [appellant] heeft op de mondelinge behandeling van 29 oktober 2021 weliswaar verklaard dat hij niet meer precies weet wat hij voor de motor heeft betaald, maar dat dit wel ongeveer € 14.750,- moet zijn geweest. [naam 2] zou de motor namelijk nooit met een verlies aan [appellant] hebben verkocht. Het hof acht deze verklaring, gelet op hetgeen [appellant] eerder onder meer in dit hoger beroep over het aankoopbedrag heeft verklaard, ongeloofwaardig. Gelet op de hoogte van het bedrag acht het hof niet aannemelijk dat [appellant] zich hierin duizenden euro’s heeft kunnen vergissen. Daarbij merkt het hof nog op dat [appellant] geen onderliggende stukken van het (werkelijke) aankoopbedrag heeft overgelegd, zoals een kwitantie of een bankafschrift.