Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 februari 2021
[appellant] ,
FFC Vastgoed B.V.,
Het geding
- het procesdossier in eerste aanleg;
- de appeldagvaarding van 23 september 2019;
- de memorie van grieven;
- het arrest van 10 december 2019 waarbij een comparitie is gelast;
- de memorie van antwoord;
- het proces-verbaal van de op 4 februari 2020 gehouden comparitie;
- de akte van [appellant] van 26 mei 2020;
- de antwoordakte van FFC;
- de pleitnotities van beide partijen d.d. 7 januari 2021.
De feiten
Het geding in eerste aanleg
De vorderingen in hoger beroep
eerstegrief komt op tegen de conclusie van de kantonrechter dat niet Yamasake B.V. maar [appellant] geldt als contractspartij bij de huurovereenkomst en tegen de overweging dat het aan [appellant] zelf is te wijten dat geen indeplaatsstelling heeft plaatsgevonden. Volgens de
tweedegrief heeft de kantonrechter nagelaten de vordering van [appellant] in voorwaardelijke reconventie te beoordelen.
De beoordeling in hoger beroep
elkaarhebben verklaard en wat zij uit
elkaarsgedragingen mochten afleiden.