In hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 11 december 2018 omtrent ontneming wegens gewoontewitwassen, heeft het hof het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €228.744,93. Dit bedrag bestaat uit contante uitgaven en overschrijvingen die niet verklaard kunnen worden door legale inkomsten.
Het hof acht aannemelijk dat de betrokkene, naast het witwasfeit, ook uit andere strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De contante uitgaven omvatten onder meer de aanschaf van meerdere auto's, huur van een loods, vakantiewoning en dagelijkse uitgaven. Daarnaast is vastgesteld dat er sprake was van een gefingeerd dienstverband waarbij €30.500,- werd witgewassen.
De betrokkene heeft betwist dat de bedragen volledig wederrechtelijk zijn, maar het hof wijst dit verweer af op basis van de bewijsmiddelen in de hoofdzaak. Van het totale bedrag wordt het inbeslaggenomen en verbeurd verklaarde bedrag van €32.250,- in mindering gebracht, waardoor de betalingsverplichting wordt vastgesteld op €196.494,93.
Het hof constateert een overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg als hoger beroep, maar acht de reeds opgelegde strafmatiging in de hoofdzaak voldoende compensatie. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het hof legt de betalingsverplichting en ontnemingsmaatregel op conform de vastgestelde bedragen.