ECLI:NL:GHDHA:2021:2563
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Werknemer niet-ontvankelijk in hoger beroep na minnelijke regeling tijdens schorsing
De werknemer was tijdens een schorsing wegens grensoverschrijdend gedrag in hoger beroep gekomen tegen de ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst door de kantonrechter. Tijdens de schorsing troffen partijen een minnelijke regeling waarbij de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2021 werd ontbonden met toekenning van een beëindigingsvergoeding.
De werknemer wenste in hoger beroep terug te komen op deze afspraken, stellende dat hij zich overvallen voelde en dat hij zich niet kon vinden in het oordeel dat de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam was verstoord. Hij beriep zich op een bedenktermijn zoals bedoeld in artikel 7:670b BW, hoewel de ontbinding niet via een vaststellingsovereenkomst was overeengekomen.
Het hof oordeelde dat partijen niet ter terechtzitting een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten, maar gezamenlijk de kantonrechter hadden verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Hierdoor was de bedenktermijn niet van toepassing. De werknemer was gebonden aan de gemaakte afspraken en het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De grieven werden niet inhoudelijk behandeld en de werknemer werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Werknemer is niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met beëindigingsvergoeding blijft in stand.