De rechtbank Rotterdam verklaarde op 26 juni 2020 de schuldsaneringsregeling van appellant van toepassing. Op voordracht van de bewindvoerder en met instemming van de rechter-commissaris werd deze regeling op 27 oktober 2021 beëindigd vanwege ernstige belemmeringen in de uitvoering.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet tekortgeschoten was in zijn verplichtingen of dat tekortkomingen hem niet konden worden toegerekend vanwege zijn persoonlijke omstandigheden. Het hof oordeelde echter dat appellant zijn verplichtingen niet naar behoren nakwam, met name door het langdurig te laat aanleveren van informatie aan de bewindvoerder, wat het toezicht bemoeilijkte. Tevens was er een aanzienlijke achterstand in de afdrachtverplichting.
Daarnaast bleek dat appellant bij de toelating tot de regeling niet alle relevante informatie had verstrekt, waaronder een grote vordering van Zilveren Kruis die hem bekend was. Dit had bij toelating tot de regeling tot afwijzing geleid. Ook de overdracht van aandelen in zijn onderneming zonder vergoeding benadeelde schuldeisers.
Het hof vond het plan van appellant om de boedelachterstand in te lopen niet haalbaar en wees een verlenging van de regeling af. De persoonlijke omstandigheden van appellant boden onvoldoende grond om hem te vrijwaren van de tekortkomingen. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.