ECLI:NL:GHDHA:2021:2878
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vermogensoverheveling en onverschuldigde betaling wegens nietige schenking en ontbrekende leningsovereenkomst
In deze civiele zaak stond centraal of een betaling van ruim 1,5 miljoen euro in 1998 door appellant aan geïntimeerden gebaseerd was op een geldleningsovereenkomst of op een schenking. Appellant stelde dat er een geldleningsovereenkomst bestond, terwijl geïntimeerden betoogden dat sprake was van een schenking, onderdeel van een fiscale constructie.
Het hof concludeerde dat ten tijde van de betaling geen wil bestond tot het aangaan van een geldleningsovereenkomst. De schriftelijke leningsovereenkomst was pas jaren later opgesteld en diende vooral fiscale doeleinden. De vermeende schenking was nietig omdat deze in strijd was met de goede zeden en openbare orde, aangezien de constructie was gericht op het ontduiken van schenkingsrecht.
Daarom was de betaling onverschuldigd en moesten geïntimeerden het bedrag terugbetalen. De vordering tot wettelijke rente werd afgewezen omdat beide partijen betrokken waren bij de fiscale constructie en geïntimeerden niet in verzuim waren. De proceskosten werden tussen partijen gecompenseerd. Het hof vernietigde het bestreden vonnis en deed nieuwe uitspraak.
Uitkomst: Geïntimeerden worden veroordeeld tot terugbetaling van €1.507.827 wegens onverschuldigde betaling; rente wordt afgewezen.