Conclusie
1[eiseres 2] (gezamenlijk [eisers] ) respectievelijk [verweerder] .
1.Inleiding en samenvatting
Het hof heeft ambtshalve beoordeeld of de overeenkomst tot vermogensoverheveling van 1998 in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde. Naar het oordeel van het hof is dat het geval: deze overeenkomst is naar haar strekking in strijd met de goede zeden en de openbare orde en daarom nietig, nu deze overeenkomst en de daarop volgende handelingen waren gericht op misleiding van de fiscus. [eisers] dient het bedrag als onverschuldigd betaald terug te betalen.
2.Feiten
[betrokkene 1]). [betrokkene 1] is op 6 april 1996 overleden. [betrokkene 1] had [verweerder] in haar testament benoemd als enig erfgenaam.
[de belastingadviseur]), als belastingadviseur verbonden aan [belastingadvieskantoor 1] , later aan [belastingadvieskantoor 2] , heeft in brieven van 10 november 1999, [3] 14 september 2001, [4] 29 maart 2002, [5] 5 mei 2004 [6] en 22 oktober 2004 [7] adviezen uitgebracht aan partijen, die steeds tot onderwerp hadden de mogelijkheden tot vermogensoverheveling van [verweerder] op [eisers] , onder meer door het opstellen van testamenten of schenking na emigratie.
de geldleningsovereenkomst) [8] ondertekend:
GELDLENINGSOVEREENKOMST
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank) – samengevat – gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiseres 2] tot betaling van een bedrag van in totaal € 1.516.024,75, bestaande uit de optelsom van € 1.507.827,-- (de oorspronkelijke hoofdsom van € 1.511.327 minus het reeds betaalde bedrag van € 3.500,--) en € 8.197,75 (buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
Op 24 mei 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.
het hof) van het vonnis van 9 januari 2019. [verweerder] heeft, onder aanvoering van zes grieven, gevorderd dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het bestreden vonnis vernietigt, en alsnog rechtdoende:
het bestreden arrest) heeft het hof het vonnis van 9 januari 2019 vernietigd en, opnieuw rechtdoende:
Het hof ziet geen aanleiding tot een hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiseres 2] . (r.o. 19)
Evenmin acht het hof het passend de rente over de hoofdsom toe te wijzen. (r.o. 20) Het hof acht het aangewezen de proceskosten tussen partijen in eerste aanleg en in hoger beroep te compenseren. (r.o. 21)
Hetgeen [verweerder] voor het overige nog in zijn grieven heeft aangevoerd, behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking meer. (r.o. 22)
4.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] /Mediqgegeven gezichtspuntencatalogus, waarin een van de gezichtspunten is of door de inbreuk fundamentele beginselen worden geschonden, kan worden afgeleid dat regels van openbare orde in de zin van art. 3:40 lid 1 BW Pro niet altijd ‘zo fundamentele beginselen van de rechtsorde’ betreffen dat zij ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve moeten worden toegepast. [28] Lewin betoogt dat bij de beoordeling van de vraag of de rechter een voorschrift dat tot absolute nietigheid van een rechtshandeling leidt, ambtshalve moet toepassen, mede van belang is welke rol die rechtshandeling in de procedure speelt, welke standpunten partijen erover innemen en de mate van zekerheid waarin aan de rechter is “gebleken” dat de rechtshandeling nietig is. Ten aanzien van bepalingen van openbare orde merkt hij op dat de rechter zo veel mogelijk moet voorkomen dat de procedure tot een uitkomst leidt die in strijd is met de openbare orde en dat de taak van de rechter niet alleen afhangt van de vraag om welke rechtsregel het gaat, maar ook van de vraag welke rol de rechtsregel in de procedure speelt en van de mate van zekerheid waarin aan de rechter is “gebleken” dat de overwogen uitkomst in strijd is met de openbare orde. [29]
subonderdeel 1.2schets ik hier het verloop van het processuele debat. Zoals ook blijkt uit r.o. 3.2, 4.2 en 4.3 van het vonnis van de rechtbank van 9 januari 2019 en r.o. 4 en 5 van het bestreden arrest, richtte het processuele debat zich op de vraag of [verweerder] het bedrag betaald had uit hoofde van een geldleningsovereenkomst of niet, dan wel of hij had betaald uit hoofde van een schenking of ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. In dat kader hebben partijen gedebatteerd over de betekenis die moet worden toegekend aan de ondertekende geldleningsovereenkomst en de uitgebrachte adviezen van [de belastingadviseur] . Daarbij hebben partijen ook stellingen aangevoerd waarin aan de orde komt hoe zij in fiscale zin met de vermogensoverheveling wilden omgaan en zijn omgegaan. Zo heeft [verweerder] onder 3.7 van de memorie van grieven gesteld dat [eisers] het bedrag zeer waarschijnlijk ook nooit bij de belastingdienst als schenking zal hebben aangegeven, althans zal weigeren daarover informatie te verstrekken, en onder randnr. 3.9 dat van een feitelijke schenking nimmer sprake is geweest. Bij pleidooi is namens [verweerder] aangevoerd dat de omstandigheden duidelijk maken dat partijen wilden lenen en niet schenken, om zo schenkingsrecht aan de zijde van [eiser 1] te voorkomen. [36] [eisers] heeft op diverse plaatsen gesteld dat de adviezen van [de belastingadviseur] tot onderwerp hadden de vermogensoverheveling die al had plaatsgevonden achteraf fiscaal vriendelijk vorm te geven. [37] Ook heeft [eisers] gesteld dat “alle ‘activiteiten’ er op gericht waren om het daarmee verschuldigde schenkingsrecht te voorkomen c.q. te beperken. Zo is [verweerder] zelfs naar Aruba verhuisd.” [38] Tevens heeft hij gesteld dat men wel degelijk via [de belastingadviseur] aangifte deed voor de schenkbelasting. [39] Deze stellingen hebben partijen echter allemaal aangevoerd ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake was van een lening, resp. een schenking. Centraal stond de inhoud en kwalificatie van wat het hof als ‘overeenkomst tot vermogensoverheveling van 1998’ heeft aangeduid en niet of die overeenkomst, althans de constructie, al dan niet een verboden en/of met de openbare orde of goede zeden strijdige strekking had, omdat partijen het motief hadden de belastingheffing, zoals wettelijk vastgelegd, te schaden, de fiscus te benadelen of te misleiden. [40]
In aanvulling daarop, al dan niet op vragen van het hof, verklaart hij – zakelijk en puntsgewijs weergegeven – voorts, als volgt:
geldleningsovereenkomst. Dat geldt mijns inziens ook voor de vraag van het hof aan mr. Krommendijk hoe hij ‘dit’ strafrechtelijk kwalificeert en of dit valsheid in geschrifte is, aangezien het hof in r.o. 17 van het bestreden arrest heeft overwogen dat de leningsovereenkomst kwalificeert als valsheid in geschrifte. Naar het oordeel van het hof is de
overeenkomst tot vermogensoverheveling van 1998naar haar strekking in strijd met de openbare orde en goede zeden (r.o. 17). Verder betrokken partijen hun stellingen over de fiscale en strafrechtelijke toelaatbaarheid van de gang van zaken wederom op de vraag of sprake was van een lening of een schenking.
Gelet op dit verloop van het processuele debat behoefden partijen mijns inziens dus geen rekening te houden met de ambtshalve toepassing van art. 3:40 lid 1 BW Pro en toewijzing van de vordering van [verweerder] op grond van onverschuldigde betaling. Art. 3:40 lid 1 BW Pro betreft mijns inziens niet een van de regels, bedoeld onder 4.13 op de toepassing waarvan partijen, ook los van de inhoud van het processuele debat, bedacht hoefden te zijn.
productie 1) waaruit blijkt dat eiser het als zijn morele plicht beschouwde om zijn vermogensvermeerdering als gevolg van het huwelijk met en testament van zijn echtgenote te delen met gedaagde sub 1 (…)’
onderdeel IIfaalt.
NJ2017/59, m.nt. Jac. Hijma (
[…] / […])) en dat de enkele omstandigheid dat een overeenkomst tot een door de wet verboden prestatie verplicht niet meebrengt dat zij een verboden strekking heeft en dus nietig is, ook niet als beide partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van dat wettelijk verbod en dat de rechter, indien een overeenkomst verplicht tot een door de wet verboden prestatie, in zijn beoordeling of de overeenkomst op die grond in strijd is met de openbare orde in elk geval dient te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet en daarvan in de motivering van zijn oordeel rekenschap af te leggen (onder verwijzing naar HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU569,
NJ2013/178, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (
[…] /Mediq Apotheken) en de conclusie van A-G Langemeijer voor voornoemde uitspraak van 11 december 2015).
In de schriftelijke toelichting (randnr. 9) is opgemerkt dat aan te nemen is dat de rechtsregel uit
[…] /Mediq Apothekenook geldt voor het vaststellen van strijd met de goede zeden en dat de Hoge Raad in
[…] / […]een vergelijkbare redenering hanteert voor een rechtshandeling die wat betreft haar strekking in strijd is met de wet.
Tevens klaagt dit subonderdeel dat het hof (ten onrechte) niet in zijn oordeel heeft betrokken dat de overeenkomst van 1998 juist is aangegaan op uitdrukkelijk advies van een te goeder naam en faam bekend staand belastingadviseur, met als doel daarmee schenkingsrechten te
ontgaan, waarmee niet kan worden gezegd dat de overeenkomst van 1998 in strijd moet worden geacht met fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard. Het onderdeel verwijst daarbij naar ‘met name’ de adviezen van [de belastingadviseur] van 1999, 2001, 2002 en 2004 genoemd hiervoor, onder 2.7. [47] In randnr. 11 van de schriftelijke toelichting is in dit verband opgemerkt dat het
ontgaanof
beperkenvan de afdracht van schenkingsrechten iets heel anders is dan belasting
ontduiking.
In de laatste alinea van subonderdeel 3.1 voert het onderdeel tevens aan dat het hof ‘aldus’ het bepaalde in art. 3:40 lid 1 BW Pro heeft miskend, dan wel dat zijn beslissing ter zake onbegrijpelijk is.
Zulks klemt te meer, aldus het subonderdeel, daar de uitkomst van deze zaak evident onbillijk is in die zin, dat alleen [eisers] de dupe is van het oordeel van het hof, dat de overeenkomst in strijd is met de goede zeden of de openbare orde en [verweerder] aldus via een omweg, op geenszins door hem bepleite gronden, diens vordering alsnog toegewezen ziet.
Monte Carlo. [48] Volgens het subonderdeel berust het oordeel van het hof dat de overeenkomst gezien het motief voor het aangaan van de overeenkomst naar haar strekking in strijd is met de goede zeden en openbare orde op een onjuiste rechtsopvatting, omdat het door het hof genoemde veronderstelde motief van misleiding van de fiscus niet in de overeenkomst tot uitdrukking komt.
Monte Carlouit 1928
. [50] Komen de motieven wel in de overeenkomst tot uitdrukking, dan was volgens Hijma sprake van een overeenkomst met een verboden inhoud. [51]
Monte Carlohad op het volgende geval betrekking. Van Heutsz (verweerder in cassatie) had
f10.500,-- geleend bij de Nederlandse Voorschotbank, waarbij zijn zuster en Willems (eiser tot cassatie) zich als hoofdelijk aansprakelijke borg en medeschuldenaren hadden gesteld. Overeenkomstig de afspraak tussen Van Heutsz en Willems is Willems met dit bedrag (behoudens
f500,--) gaan spelen in Monte Carlo en heeft hij het bedrag daarbij verloren. Van Heutsz’ zuster heeft een bedrag van
f7.000,-- terugbetaald aan de bank en de helft hiervan (
f3.500,--) van Willems teruggevorderd, die op zijn beurt Van Heutsz in vrijwaring heeft opgeroepen. Van Heutsz verweerde zich onder meer met de stelling dat hij een tegenvordering had op Willems, omdat partijen hadden afgesproken voor gezamenlijke rekening te spelen.
Het hof heeft in het bestreden arrest overwogen dat de overeenkomst tot deelname tussen partijen zich in twee overeenkomsten laat splitsen, te weten 1) een overeenkomst om voor gemeenschappelijke rekening geld op te nemen bij de bank, met de bedoeling met het geld te gaan spelen en 2) de daarnaast staande overeenkomst, daartoe strekkende dat Willems, gevolg gevende aan die bedoeling, in Monte Carlo met het geld voor gezamenlijke rekening zou gaan spelen, zodat eventueel verlies uit dat geld gelijk zou worden bestreden en winst uit dat geld gelijk zou worden gedeeld. Naar het oordeel van het hof was alleen de onder 2) bedoelde overeenkomst nietig, omdat zij een ongeoorloofde oorzaak had en diende Van Heutsz
f3.500,-- aan Willems te betalen. Het tegen dit oordeel gerichte cassatiemiddel van Willems strekte ertoe dat ook de eerste overeenkomst een ongeoorloofde oorzaak had. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog daartoe:
[…] /Mediq Apothekenen
[…] / […]neemt de Hoge Raad de inhoud en strekking samen. [61] Uit
/Mediq Apothekenvolgt daarnaast dat de rechter de kenbaarheid, althans het bewustzijn bij partijen eveneens in de beoordeling dient te betrekken – maar dan als gezichtspunt en niet als vereiste – bij de vraag of een overeenkomst die naar inhoud of strekking in strijd is met de wet ook in strijd is met de openbare orde of goede zeden.
NJ1991/765 (
Hoeben) in het geding zijnde besluit van een algemene vergadering van aandeelhouders om aan een bestuurder toe te staan 'zwarte' inkomsten van een vennootschap tot zich te nemen, zonder daarvan in de eigen boekhouding melding te maken en de in HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3650,
NJ2015/290, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai voorliggende overeenkomst die ertoe strekte schuldeisers te benadelen, [63] hebben gemeen dat de betreffende rechtshandelingen zijn verricht
omiets ongeoorloofds te bewerkstelligen. Anders gezegd: tussen het motief en de rechtshandeling bestond een oorzakelijk verband, of: de strekking vormde (een van de) beweegreden(en) om de rechtshandeling te verrichten. Dit lijkt mij een kenmerkend aspect van het begrip ‘strekking’ in art. 3:40 lid 1 BW Pro. In het in deze zaak voorliggende geval is daarvan mijns inziens geen sprake.
subonderdeel 3.2mijns inziens.
Het is aan de fiscus om de betaling en de na de betaling bedachte constructies, die er naar ik begrijp juist toe dienden om de fiscale consequenties van schenking te mitigeren, en die in dit geval naar het hof heeft vastgesteld niet tot uitvoering zijn gekomen (r.o. 1, zie hiervoor onder 2.9), te kwalificeren en te beoordelen.
subonderdeel 3.1mijns inziens geen behandeling.
tweede alinea van subonderdeel 3.1faalt, omdat de stelling dat de overeenkomst van 1998 is aangegaan op uitdrukkelijk advies van een belastingadviseur feitelijke grondslag mist. Het eerste advies van [de belastingadviseur] waarnaar het subonderdeel verwijst (de brief van 10 november 1999) [65] dateert van ruim een jaar na het overmaken van het bedrag. [66]