ECLI:NL:GHDHA:2021:325
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst sociale huurwoning wegens niet-hoofdverblijf en onderverhuur aan derden
De huurder sloot in 2002 een huurovereenkomst voor een sociale huurwoning met Vestia. Vestia stelde vast dat de huurder de woning tussen augustus 2018 en mei 2019 niet als hoofdverblijf gebruikte en deze aan derden in gebruik gaf zonder toestemming, wat in strijd is met de huurvoorwaarden. Na huisbezoeken en rapportages van het Interventieteam bleek dat een ander gezin in de woning verbleef, terwijl de huurder zelf elders woonde.
Vestia startte een procedure tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming, waarbij de kantonrechter de vordering toewijst. De huurder ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat hij wel degelijk in de woning woonde en dat de bewijsvoering onjuist was. Het hof beoordeelde dat de huurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf in de woning had en dat de inrichting en omstandigheden wezen op langdurig verblijf van derden.
Het hof oordeelde dat de tekortkoming ernstig was, mede vanwege het schaarse karakter van sociale huurwoningen, en dat de ontbinding gerechtvaardigd was. De grieven van de huurder faalden, het vonnis werd bekrachtigd en de huurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens niet-hoofdverblijf en onderverhuur aan derden.