Uitspraak
1.Het verloop van het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Den Haag
In deze civiele zaak heeft de vader, biologisch ouder van een minderjarige die onder voogdij staat van een gecertificeerde instelling, een wrakingsverzoek ingediend tegen een van de raadsheren van het hof. Dit verzoek is gedaan tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling in hoger beroep tegen een eerdere beschikking van de rechtbank Rotterdam.
Het hof heeft het wrakingsverzoek buiten behandeling gelaten, mede op grond van een eerdere beslissing van de wrakingskamer die bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen. Het hof motiveert dat herhaalde wrakingsverzoeken de procesorde schaden en dat het verzoek geen feitelijke gronden bevat die de onpartijdigheid van de rechter aantasten.
Daarnaast heeft het hof het hoger beroep van de vader inhoudelijk beoordeeld en de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigd. De rechtbank had onder meer geweigerd om de gecertificeerde instelling te verplichten de vader elk kwartaal schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van de minderjarige en om evaluaties van de kinderbeschermingsmaatregel te houden met de vader. Het hof oordeelt dat de gecertificeerde instelling haar informatieplicht nakomt en dat er geen wettelijke grondslag is voor de gevraagde evaluaties met een ouder die uit het gezag is ontheven.
Het hof wijst ook het verzoek van de vader af om de zaak aan te houden voor het zoeken van een advocaat, vanwege onvoldoende onderbouwing en de lange duur van de procedure. De beschikking van de rechtbank Rotterdam wordt daarmee bekrachtigd en het hoger beroep van de vader wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hof wijst het wrakingsverzoek af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam, waarmee het hoger beroep van de vader wordt afgewezen.