Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
arrest van 16 maart 2021
appellante,
hierna te noemen: de vrouw,
geïntimeerde,
hierna te noemen: de man,
Het geding
Beoordeling van het hoger beroep
f1.225.000,-. De aanschaf van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening bij de ING bank.
- het bestreden vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van de vrouw in eerste aanleg alsnog volledig toe te wijzen, dat wil zeggen dat de man veroordeeld wordt aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van € 106.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2018 tot de dag der algehele voldoening;
- het bestreden vonnis voor het overige te bekrachtigen;
- met veroordeling van de man in de proceskosten van de vrouw in eerste aanleg en in hoger beroep en, voor het geval de betaling van deze proceskosten niet binnen veertien dagen na datum arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening en, onder afgifte van een bevelschrift, voor de nakosten met een bedrag van € 157,- dan wel € 239,- indien betekening van het te wijzen arrest plaatsvindt;
- althans te bepalen zoals het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.
f1.225.000 (circa € 555.880,76) en in 2018 is verkocht voor € 1.500.000. Er is sprake van een waardestijging van bijna 300%. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat deze waardestijging geheel kan worden herleid op de algemene stijging van de huizenprijzen gedurende dat tijdvak. Het noopt niet tot een ander oordeel dat de vrouw de eerste jaren, tot en met 2008, heeft meebetaald aan verbouwing van de woning. Haar bijdrage betrof hoofdzakelijk de verbouwing van haar eigen appartement. De daaraan toe te rekenen waardestijging weegt niet op tegen de waardestijging ten gevolge van de verbouwing van de rest van het huis.
grief 1voert de vrouw aan dat de rechtbank in rov. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat de man een vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw in verband met investeringen van de man in de verbouwing van de woning. De vrouw ontkent niet dat de man grote bedragen heeft betaald voor de verbouwing van de woning, maar zij is van mening dat de man onvoldoende heeft gesteld, laat staan bewezen, dat deze betalingen hebben geleid tot een zodanige waardevermeerdering van de woning dat deze de investeringen van de vrouw – de aflossingen op de hypothecaire schuld en de door haar betaalde kosten van de verbouwing – overstijgen. Verder voert de vrouw in dit verband het volgende aan:
- uit de stellingen van de man en de gedingstukken kan niet worden opgemaakt welke bedragen door hem zijn uitgegeven aan de verbouwing;
- partijen hebben geen afspraken gemaakt over de draaglast van de kosten van de verbouwing, evenmin heeft de man aan de vrouw aangegeven dat zij een bedrag aan hem zou moeten vergoeden in verband met de kosten van de verbouwing;
- de vrouw heeft ook bijgedragen aan de kosten van de verbouwing, maar ook heeft zij nagenoeg alle kosten voor de verzorging en opvoeding van dochter [naam dochter] op zich genomen;
- partijen verschilden nogal van mening over de verbouwing: tegen de wil van de vrouw heeft de man vele uitgaven gedaan aan technische snufjes die niet hebben bijdragen aan de waardestijging van de woning;
- de vrouw heeft weliswaar ingestemd met de verbouwing, maar niet met de uitgebreide wijze waarop dit is gebeurd.
grief 1als in
grief 2voert de vrouw aan dat zij een deel van de verbouwingskosten voor haar rekening heeft genomen. Volgens de vrouw heeft de rechtbank hiermee onvoldoende rekening gehouden. Zij voert in dit verband aan, kort gezegd, dat zij voor een bedrag van in totaal € 234.704,48 heeft bijgedragen in de verbouwingskosten van de woning. Dat bedrag heeft de vrouw als volgt opgesplitst:
grief 3, gelezen in samenhang met
grief 1, betoogt de vrouw dat de rechtbank in r.o. 4.10 van het bestreden vonnis ten onrechte ervan is uitgegaan dat de waardestijging van de woning van bijna 300% uitsluitend of hoofdzakelijk het gevolg is van de algemene waardestijging op de woningmarkt en de investeringen van de man. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.
Grief 4betreft een veeggrief die voortborduurt op de voorgaande grieven, zodat deze grief het lot van de overige grieven deelt.