ECLI:NL:HR:2006:AU8938
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- O. de Savornin Lohman
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- W.D.H. Asser
- F.B. Bakels
- Rechtspraak.nl
Verdeling meerwaarde gezamenlijke woning bij gemeenschap van vruchten en inkomsten
In deze zaak stonden ex-echtelieden tegenover elkaar over de verdeling van de meerwaarde van hun gezamenlijk in eigendom verkregen woning binnen een gemeenschap van vruchten en inkomsten. De vrouw had een groter bedrag uit haar privé-vermogen bijgedragen aan de aankoop van de woning dan de man. De rechtbank kende de vrouw gelijk, maar het hof stelde de man in het gelijk en bepaalde dat de meerwaarde van de woning gelijkelijk moest worden verdeeld.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat op grond van artikel 3:166 BW Pro de aandelen van deelgenoten in een gemeenschap gelijk zijn, tenzij uit hun rechtsverhouding anders voortvloeit. Het enkele feit dat de vrouw meer uit haar privé-vermogen had bijgedragen, leidt niet tot een afwijking van gelijke verdeling van de meerwaarde. Wel heeft iedere echtgenoot recht op vergoeding van het bedrag dat hij uit privé-vermogen heeft besteed.
De Hoge Raad overwoog verder dat de redelijkheid en billijkheid in dit geval geen aanleiding geven voor een afwijking van de gelijke verdeling. De vrouw kon geen feiten en omstandigheden aanvoeren die een andere verdeling rechtvaardigen. Het arrest bevestigt daarmee de juridische regel dat de meerwaarde van gezamenlijk eigendom binnen een gemeenschap van vruchten en inkomsten naar evenredigheid van het aandeel in de gemeenschap wordt verdeeld, niet naar verhouding van de inbreng uit privé-vermogen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de meerwaarde van de woning gelijkelijk moet worden verdeeld volgens artikel 3:166 BW, ongeacht de inbreng uit privé-vermogen.