De heffingsambtenaar van de gemeente Dordrecht stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €495.000 voor het jaar 2020. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze beschikking en de aanslag onroerendezaakbelasting, waarna de heffingsambtenaar het bezwaar ongegrond verklaarde. Belanghebbende stelde vervolgens beroep in bij de Rechtbank Rotterdam, maar dit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het beroepschrift te laat was ingediend.
Belanghebbende stelde hoger beroep in bij het Gerechtshof Den Haag en voerde onder meer aan dat hij niet tijdig op de hoogte was gesteld van de uitspraak op bezwaar en dat de rechtbank de regels van een goede procesorde had geschonden door hem niet toe te laten tot de zitting via Skype. Het hof oordeelde dat het beroepschrift inderdaad buiten de wettelijke termijn was ingediend en dat geen verschoonbare redenen waren aangevoerd. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank voldoende gelegenheid had geboden om deel te nemen aan de zitting en dat het beroep op betalingsonmacht was ingetrokken.
Het hof verwierp het standpunt dat de uitspraak van de rechtbank niet aan vormvoorschriften voldeed, omdat geen sprake was van schending van de procesorde of belangen van belanghebbende. Ook was er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van het geschil, zodat een vergoeding van immateriële schade werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.