ECLI:NL:GHDHA:2022:1062
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderontvoeringszaak over teruggeleiding minderjarige uit India naar Nederland
Deze zaak betreft een hoger beroep in een kinderontvoeringszaak waarbij de vader verzoekt om teruggeleiding van zijn minderjarige dochter vanuit India naar Nederland. De rechtbank had eerder de terugkeer gelast, maar de moeder betwist dit en stelt dat de vader toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf in India.
Het hof beoordeelt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke toetsingskader, waarbij het HKOV niet rechtstreeks van toepassing is omdat India geen verdragsland is, maar als punt van oriëntatie wordt gehanteerd. Het hof concludeert dat de moeder zonder toestemming van de vader de minderjarige langer dan toegestaan in India heeft gehouden, wat ongeoorloofde achterhouding is.
De moeder beroept zich op weigeringsgronden, waaronder toestemming van de vader en het risico op geestelijk of lichamelijk gevaar bij terugkeer. Het hof oordeelt dat geen ondubbelzinnige toestemming is gegeven voor permanent verblijf in India en dat de moeder onvoldoende heeft onderbouwd dat terugkeer onveilig zou zijn. Praktische en financiële bezwaren zijn onvoldoende voor weigering.
Daarom bekrachtigt het hof het vonnis van de rechtbank en gelast de terugkeer van de minderjarige uiterlijk 29 juni 2022, met een bevel tot afgifte van reisdocumenten aan de vader indien de moeder niet meewerkt. Kostenveroordelingen worden afgewezen, waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: Het hof gelast de terugkeer van de minderjarige uit India naar Nederland uiterlijk 29 juni 2022 en wijst het hoger beroep van de moeder af.