Appellante vordert terugbetaling van €3.000 die zij op 8 oktober 2017 aan geïntimeerde zou hebben geleend. De kantonrechter wees de vordering af omdat appellante niet slaagde in haar bewijs, ondanks overlegging van een leningsovereenkomst en ontvangstbewijzen met betwiste handtekeningen.
In hoger beroep biedt appellante aanvullend bewijs aan en wil getuigen laten horen. Het hof oordeelt dat de bewijslast voor het bestaan van de leningsovereenkomst bij appellante ligt en dat geïntimeerde de stelling voldoende heeft betwist. Daarom wordt appellante opnieuw toegelaten tot bewijs en wordt het getuigenverhoor toegestaan.
Het hof verwijst de zaak naar de rol voor verdere procedurele afhandeling en houdt verdere beslissing aan. Getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het Paleis van Justitie te Den Haag onder leiding van de raadsheer-commissaris.
Deze tussenuitspraak bevestigt dat het bewijs van de leningsovereenkomst nader onderzocht zal worden en dat het proces wordt voortgezet met getuigenverhoren.