In deze zaak staat de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen centraal, die sinds ruim anderhalf jaar onder toezicht staan vanwege ernstige bedreiging van hun ontwikkeling.
De ouders zijn gescheiden en oefenen gezamenlijk het gezag uit, waarbij de kinderen op basis van co-ouderschap afwisselend bij beide moeders verblijven. De kinderrechter in Den Haag had de ondertoezichtstelling reeds verlengd tot 2 juli 2022, maar moeder [1] betwistte dit en stelde dat de ondertoezichtstelling geen toegevoegde waarde heeft.
Het hof oordeelt dat de bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen door de voortdurende ouderlijke strijd onverminderd aanwezig is en erkend wordt door beide ouders. De hulpverlening is nog niet van de grond gekomen door onenigheid over de inzet en vorm daarvan. Het hof acht de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling essentieel om verdere verslechtering te voorkomen en bekrachtigt daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling.
De proceskosten worden in hoger beroep gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het hof spreekt de hoop uit dat de ouders hun onderlinge verhouding verbeteren in het belang van de minderjarigen.