ECLI:NL:GHDHA:2022:128
Gerechtshof Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Plaatsing minderjarigen op medisch kinderdagverblijf geen medische behandeling in zin van artikel 1:265h BW
De vader ging in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam die vervangende toestemming verleende voor de medische behandeling van zijn minderjarige kinderen op een medisch kinderdagverblijf. De gecertificeerde instelling en de moeder steunden de beslissing van de rechtbank.
Het geschil draaide om de vraag of de plaatsing op het medisch kinderdagverblijf als medische behandeling kan worden aangemerkt volgens artikel 1:265h BW. Het hof oordeelde dat deze plaatsing geen medische behandeling betreft, omdat er geen betrokkenheid is van een arts of geneeskundig beroep en de behandeling pedagogisch van aard is.
Hoewel het hof de zorgen over de ontwikkeling van de minderjarigen erkent en het belang van voortzetting van de plaatsing onderstreept, kan het de plaatsing niet mogelijk maken zonder toestemming van de vader. De gecertificeerde instelling zal juridische stappen moeten ondernemen indien de vader blijft weigeren.
Het verzoek tot schorsing en voorlopige voorziening van de vader werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De bestreden beschikking werd vernietigd en de gecertificeerde instelling werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek.
Uitkomst: De bestreden beschikking wordt vernietigd omdat de plaatsing op het medisch kinderdagverblijf geen medische behandeling is in de zin van artikel 1:265h BW.