Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 3 mei 2022 (bij vervroeging)
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[het meisje],
[geïntimeerde] ,
Het verloop van de procedure
- het procesdossier van de strafzaak in eerste aanleg, waaronder het vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, van 19 januari 2021, voor zover het de vordering als bedoeld in art. 51f Wetboek van Strafvordering (Sv) betreft gewezen tussen appellante, in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [het meisje] (verder: het meisje), als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis);
- de dagvaarding in hoger beroep van 6 april 2021, waarbij appellante op de voet van art. 421 lid 4 Sv Pro in hoger beroep is gekomen van het bestreden vonnis;
- de memorie van grieven van appellante, met daarin opgenomen vier grieven (met producties);
- de memorie van antwoord van [geïntimeerde] (met één productie).