Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Arrest van 5 juli 2022 (bij vervroeging)
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
[bedrijf 1] B.V.en
[bedrijf 2] B.V.,
Waar de zaak over gaat
Het verloop van de procedure in hoger beroep
- het procesdossier van de eerste aanleg, waaronder het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2020 (hierna: het bestreden vonnis);
- de dagvaarding in hoger beroep van 12 augustus 2020;
- de memorie van grieven van de curator, met daarin opgenomen zes grieven (met producties 1 t/m 6);
- de memorie van antwoord van HRG, met producties 30 t/m 35;
- de memorie van antwoord van Ankervast, met producties 1 t/m 3;
- de memorie van antwoord van BBC Management en [geïntimeerde 5] , met producties 25 t/m 29;
- de producties 30 en 31 van de zijde van HRG, BBC Management en [geïntimeerde 5] ;
- productie 7 van de zijde van de curator.
De feiten
De procedure bij de rechtbank
De grieven en de vorderingen in hoger beroep
grief 2),
grief 3), en
grief 4),
grief 5).
Grief 1betreft de bewijswaardering van de door partijen overgelegde deskundigenrapportages en
grief 6ziet op de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad jegens BBC Management en [geïntimeerde 5] als (indirect) bestuurders van BBC in verband met de turbo-liquidatie van laatstgenoemde.
De beoordeling van het hoger beroep
Een curator heeft geen bevoegdheid om een in het verleden, ruim voor het faillissement vastgestelde jaarrekening in te trekken of te wijzigen. Daartoe is alleen de aandeelhoudersvergadering van de failliete vennootschap binnen zekere grenzen bevoegd. Een curator heeft geen bevoegdheden op de aandeelhoudersvergadering van een vennootschap waarbij hij is aangesteld. In een failliete vennootschap behouden haar organen hun functie met de daaraan verbonden bevoegdheden behoudens de bevoegdheid van de curator tot beheer en beschikking over het vermogen van de vennootschap. Onder die bevoegdheid tot beheer en beschikking valt niet de bevoegdheid tot wijziging van een in het verleden vastgestelde jaarrekening. Nergens in de Faillissementswet is aan de curator een bevoegdheid tot wijziging van een jaarrekening stilzwijgend of uitdrukkelijk verleend. Al met al moeten we uitgaan van de getallen in de jaarrekeningen, zoals die zijn vastgesteld door de aandeelhoudersvergadering in haar vergaderingen van 30 augustus 2011 en van 29 juni 2012”. Volgens Geïntimeerden laten de in dit kader relevante vastgestelde jaarrekeningen 2009 en 2010 voldoende vrije reserves zien. Zij wijzen voorts op een ander deel van de opinie van [naam professor] , waarin hij – samengevat – oordeelt dat de bestreden uitkeringen in overeenstemming zijn met de wet en de statuten en dus rechtsgeldig zijn en dat er geen vordering van de curator bestaat tot terugbetaling van het dividend 2010, of tot terugbetaling van het uitgekeerde agio, of terzake de inkoop van aandelen op 30 juni 2011 (producties 1, 25 en 31 bij memorie van antwoord van Ankervast, BBC Management/ [geïntimeerde 5] respectievelijk HRG).
op het moment van het doen van de uitkeringis voldaan aan het bepaalde in lid 4 en lid 2 van artikel 2:216 (oud) BW.
Beslissing
- bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 mei 2020, gewezen tussen de curator als eiser en geïntimeerden als gedaagden;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van HRG tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van Ankervast tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- veroordeelt de curator in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van BBC Management en [geïntimeerde 5] tot op heden begroot op € 17.887,- en bepaalt dat dit bedrag binnen 14 dagen na de dag van de uitspraak moet zijn voldaan, bij gebreke waarvan dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van genoemde termijn van 14 dagen;
- verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.