ECLI:NL:GHDHA:2022:1389

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
21 juli 2022
Publicatiedatum
28 juli 2022
Zaaknummer
2200166722
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 EVRMArt. 66 SvArt. 67 SvArt. 67a SvArt. 75 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verlenging en schorsing voorlopige hechtenis afgewezen door Gerechtshof Den Haag

In deze zaak heeft het Gerechtshof Den Haag op 21 juli 2022 een beschikking genomen over het verzoek tot verlenging, opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, die gedetineerd is in PI Rotterdam, locatie De Schie.

De advocaat-generaal had verzocht om verlenging van het bevel tot gevangenhouding met 120 dagen. Namens verdachte werd verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren en de gronden daarvoor, alsmede op grond van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. Daarnaast werd schorsing van de voorlopige hechtenis gevraagd vanwege persoonlijke belangen, waaronder het fulltime kunnen werken en de zorg voor minderjarige kinderen.

Het hof oordeelde dat, anders dan door verdachte gesteld, de ernstige bezwaren en gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig zijn, mede gezien het veroordelend vonnis van 10 juni 2022. Het hof zag geen aanleiding om de voorlopige hechtenis op te heffen of te schorsen. Het belang van de strafvordering bij voortzetting van de voorlopige hechtenis weegt zwaarder dan de persoonlijke belangen van verdachte. Tevens merkte het hof op dat artikel 5 EVRM Pro geen grond meer biedt om het verdere strafproces in vrijheid af te wachten nadat een vonnis is gewezen.

De beschikking werd gegeven door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Den Haag, waarbij de voorlopige hechtenis werd verlengd met 120 dagen en het verzoek tot opheffing en schorsing werd afgewezen.

Uitkomst: Voorlopige hechtenis van verdachte wordt verlengd met 120 dagen en verzoek tot opheffing en schorsing wordt afgewezen.

Uitspraak

datum beschikking: 21 juli 2022

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

Gezien de vordering van de advocaat-generaal van 12 juli 2022 tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding met een termijn van
honderdtwintig dagenin de zaak van:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] (Marokko),
thans gedetineerd in PI Rotterdam, locatie De Schie.
Procesgang
Het bevel tot gevangenhouding is, gelet op het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2022, ingevolge artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, van kracht tot 12 augustus 2022.
In raadkamer zijn gehoord de verdachte, de waarnemend advocaat mr. G.A.J. van Gestel en de advocaat-generaal mr. F. Posthumus.
Beoordeling van de vordering verlenging gevangenhouding
Namens de verdachte is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis omdat de ernstige bezwaren ontbreken en omdat voor de voorlopige hechtenis geen gronden aanwezig zijn en omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof is van oordeel – anders dan namens de verdachte is gesteld – dat de ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn, mede gelet op het veroordelend vonnis d.d. 10 juni 2022 en ziet derhalve geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Voorts is het hof van oordeel dat zich – mede gelet op het veroordelend vonnis - thans niet de situatie voordoet zoals bedoeld in artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en ziet derhalve geen reden om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen.
Namens de verdachte is tevens verzocht om schorsing van de voorlopige hechtenis, gelet op zijn persoonlijke belangen. Daartoe is onder meer aangevoerd dat hij fulltime aan het werk kan en dat hij er wil zijn voor zijn minderjarige kinderen.
Ten aanzien van dit verzoek overweegt het hof dat, mede gelet op het veroordelend vonnis, het belang van strafvordering bij het voortduren van de voorlopige hechtenis dient te prevaleren boven het belang van de verdachte bij schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof merkt daarbij op dat zodra een vonnis door de rechtbank is gewezen, artikel 5 EVRM Pro – anders dan door de verdediging is betoogd – geen grond meer oplevert om het verdere verloop van het strafproces in vrijheid af te wachten. Daarbij komt dat het enkele feit dat voor de inhoudelijke behandeling bij het hof nog geen datum bekend is, op zichzelf geen gegronde reden voor schorsing kan vormen. De omstandigheid dat verdachte in een periode vóór het veroordelend vonnis geschorst is geweest en zich daarbij aan de voorwaarden heeft gehouden, maakt dat niet anders.
Dit brengt met zich mee dat het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis moet worden afgewezen.
Beslissing
Het hof:
Gelet ophet bepaalde in de artikelen 66, 66 lid 2, 67, 67a, 75 en 78 van het Wetboek van Strafvordering;
Verlengtde geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van
HONDERDTWINTIG DAGENen bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in PI Rotterdam, locatie De Schie of enig ander huis van bewaring hier te lande.

Wijst af het verzoek om opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking is gegeven op 21 juli 2022 door
mr. M.P.J.G. Göbbels, voorzitter,
mr. J. Eisses en mr. J.W. du Pon, leden,
in bijzijn van F. Abassi, griffier.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
………………………………………………………………………… …………………………………………………………………………
De advocaat-generaal bij dit gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van de verdachte.
Den Haag, 21 juli 2022
de advocaat-generaal
Gezien door de directeur van PI Rotterdam, locatie De Schie op