ECLI:NL:GHDHA:2022:1700
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde tussenwoningen na renovatie en vergelijkingsmethode
Belanghebbende is eigenaar van twee tussenwoningen uit 1934, beide met een perceeloppervlakte van circa 88 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2019 vast op €226.000 per woning. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van €206.000 voor, mede op basis van alternatieve vergelijkingsobjecten.
De Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Den Haag. Het Hof overwoog dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Dit is onderbouwd met taxatieverslagen, waarderapporten, foto’s en matrices die systematische vergelijking toepassen met vergelijkbare woningen in dezelfde wijk, verkocht rond de waardepeildatum.
De toegepaste vlokcoderingen voor onderhoud, kwaliteit en voorzieningen zijn lager voor de woningen dan voor de vergelijkingsobjecten, wat de verschillen adequaat weerspiegelt. Renovatiekosten zijn meegenomen in de waardebepaling, waarbij een waardestijging van circa 60% van de renovatiekosten is erkend. De door belanghebbende aangedragen vergelijkingsobjecten zijn te ver van de waardepeildatum gelegen en daarom niet bruikbaar.
Het Hof concludeert dat de WOZ-waarde van €226.000 per woning juist is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er zijn geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van €226.000 per woning wordt bevestigd.