ECLI:NL:GHDHA:2022:1912
Gerechtshof Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in civiele procedure wegens gebrek aan gegronde partijdigheidsvrees
In een civiele procedure bij het Gerechtshof Den Haag heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. Tan-de Sonnaville en twee andere raadsheren. Verzoeker baseerde zijn verzoek op het feit dat hij mr. Tan eerder succesvol had gewraakt in een strafzaak uit 1998, en op een procedurele beslissing waarbij een getuige via beeldverbinding werd gehoord.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend, ondanks het lange tijdsverloop tussen de zitting en het verzoek. Verzoeker had pas later daadwerkelijk kennis genomen van de eerdere wraking van mr. Tan. De kamer stelde vast dat het enkele feit van een eerdere wraking uit 24 jaar geleden geen grond voor wraking oplevert, noch dat er aanwijzingen waren dat mr. Tan wrok koesterde.
Ook de procedurele beslissing om een getuige via beeldverbinding te horen werd niet als grond voor wraking aanvaard, omdat dergelijke beslissingen niet snel op vooringenomenheid duiden. De wrakingskamer concludeerde dat er geen uitzonderlijke omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid rechtvaardigen.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat de hoofdprocedure wordt voortgezet zoals die stond bij indiening van het verzoek. Het arrest werd gewezen door mr. E.C. van Veen, mr. C.A. Joustra en mr. E.M. Dousma-Valk op 22 juni 2022.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. Tan-de Sonnaville en de andere raadsheren wordt afgewezen wegens ontbreken van gegronde vrees voor partijdigheid.