De betrokkene is in hoger beroep veroordeeld voor meermalige verduistering. De rechtbank Rotterdam had het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €594.192,67 en de betrokkene verplicht tot betaling aan de Staat van dit bedrag. Het Openbaar Ministerie had aanvankelijk een hoger bedrag gevorderd, maar beperkte dit later.
De verdediging voerde onder meer verjaring aan en stelde dat terugbetalingen aan het notariskantoor in mindering moesten worden gebracht. Het hof verwierp deze verweren, onder verwijzing naar jurisprudentie dat ontneming ook mogelijk is bij soortgelijke feiten die verjaard zijn en dat de terugbetalingen geen verband hielden met het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof stelde vast dat de betrokkene zich een bedrag van €450.557,00 had toegeëigend en uit soortgelijke feiten €180.635,67 had ontvangen. Na aftrek van terugbetalingen van €37.000,00 werd het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op €594.192,67. Hoewel de redelijke termijn in hoger beroep was overschreden, werden hier geen consequenties aan verbonden vanwege eerdere compensatie in de strafzaak.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht door het bedrag van €594.192,67 vast te stellen en de betrokkene te verplichten dit aan de Staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 1080 dagen.