ECLI:NL:GHDHA:2022:213

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
001396-19
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 591a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vergoeding rechtsbijstand vrijgesproken politieagent in zaak Mitch Henriquez

Op 27 juni 2015 vond op een festival in Den Haag een incident plaats waarbij politieoptreden leidde tot het bewusteloos raken en later overlijden van een persoon. De Rijksrecherche deed onderzoek naar het optreden van vijf politieagenten, waaronder de verzoeker. De strafzaak tegen de verzoeker eindigde met een onherroepelijke vrijspraak door het Gerechtshof Den Haag op 19 juni 2019.

De verzoeker vroeg vervolgens vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in zijn strafzaak, inclusief kosten voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift. Het hof behandelde het verzoek op 26 januari 2022 in het openbaar, waarbij de verzoeker niet aanwezig was maar zijn advocaat wel.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 530 Sv Pro en jurisprudentie van de Hoge Raad de verzoeker recht heeft op vergoeding van de gemaakte kosten, ondanks dat deze kosten door zijn werkgever, de Nationale Politie, worden gedragen. Gelet op de bijzondere aard, omvang en complexiteit van de strafzaak en de efficiënte wijze van declareren door de advocaat, achtte het hof gronden van billijkheid aanwezig voor volledige vergoeding van € 384.604,80 plus € 550,- voor het verzoekschrift.

De beschikking werd op 23 februari 2022 uitgesproken en de betaling uit de Rijkskas bevolen.

Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van € 385.154,80 toe voor de kosten van rechtsbijstand aan de vrijgesproken politieagent.

Uitspraak

Datum uitspraak 23 februari 2022

GERECHTSHOF DEN HAAG

meervoudige raadkamer

BESCHIKKING

gewezen naar aanleiding van een ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering ingediend door en namens:

[verzoeker],

in deze zaak domicilie kiezende ten kantore van zijn advocaat, mr. Th.J. Kelder, aan de Javastraat 1 C te
2585 AA Den Haag.
Procesgang
Op 27 juni 2015 is op een festival in Den Haag door politieagenten geweld gebruikt bij de aanhouding van een persoon. De persoon is hierbij bewusteloos geraakt. Een dag later is hij overleden. De Rijksrecherche heeft, onder leiding van twee officieren van justitie, onderzoek gedaan naar dit incident, in het bijzonder naar het optreden van vijf betrokken politieagenten, waaronder verzoeker.
Dit gerechtshof heeft bij arrest van 19 juni 2019 met rolnummer 22-000140-18 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 21 december 2017 in de strafzaak tegen de verzoeker met parketnummer 09-837305-15 vernietigd en hem integraal vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde.
Dit arrest is inmiddels onherroepelijk geworden.
Namens de verzoeker is bij een op 3 september 2019 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering [1] vergoeding gevraagd van € 384,604,80 (inclusief € 66.749,59 BTW) ter zake van kosten voor rechtsbijstand in zijn strafzaak, alsmede van € 280,- dan wel € 550,- ter zake van kosten van het door zijn advocaat opstellen en eventueel in raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift.
De raadkamer van het hof heeft dit verzoekschrift in het openbaar op 26 januari 2022 behandeld. Daarbij zijn gehoord de genoemde advocaat van verzoeker en de advocaat-generaal mr. H.P. Klaver.
De verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij het door het Openbaar Ministerie op 5 januari 2021 schriftelijk ingenomen standpunt en heeft geconcludeerd tot toewijzing van het verzoek.
Beoordeling van het verzoek
De strafzaak tegen de verzoeker is geëindigd met een beslissing die de verzoeker op grond van artikel 530, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering in beginsel recht geeft op vergoeding van de ten behoeve van de strafzaak gemaakte kosten voor rechtsbijstand, indien en voor zover daartoe - alle omstandigheden in aanmerking genomen - gronden van billijkheid aanwezig zijn.
Het hof overweegt daarbij ambtshalve als volgt. In het arrest van 4 september 2018,
ECLI:NL:HR:2018:1428 (https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:HR:2018:1428&showbutton=true&keyword=2018%3a1428)
heeft de Hoge Raad beslist dat art. 591a, tweede lid, Sv (oud, sinds 1 januari 2020 art. 530 Sv Pro) plaats laat voor het toekennen van een vergoeding van de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman, indien de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding dan krachtens een rechtsbijstandsverzekering zo een vordering heeft op een derde, zoals in dit geval zijn werkgever, de Nationale Politie. Aan toekenning van een vergoeding staat, aldus de Hoge Raad, evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen. Gelet op voornoemde uitspraak komen in het onderhavige geval de kosten van rechtsbijstand van de verzoeker in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
Met betrekking tot het onderhavige verzoekschrift realiseert het hof zich dat het om een zeer hoog bedrag gaat. Dit komt evenwel niet door het gedeclareerde uurtarief, dat in de (gespecialiseerde) strafrechtsadvocatuur gangbaar is.
Bij de verdere beoordeling heeft het hof acht geslagen op de navolgende omstandigheden. Met de advocaat-generaal en de advocaat is het hof van oordeel dat sprake is geweest van een strafzaak van bijzondere aard, omvang en complexiteit. Het gaat om werkzaamheden van de raadsman gedurende vier jaren, nl. vanaf medio 2015 tot en met ’s hofs arrest van 19 juni 2019. Het hof noemt in dat verband:
- dat de verzoeker in aanwezigheid van zijn advocaat vijf dagen is verhoord door de Rijksrecherche en de rechter-commissaris,
- dat vele deskundigen, al dan niet op verzoek van de verdediging, hebben gerapporteerd,
- dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg twaalf en in hoger beroep nog eens negen zittingsdagen heeft gevergd, waarbij zeer omvangrijke pleidooien zijn gevoerd,
- dat er een beklagprocedure is geweest en
- dat verzoeker zich hierbij tevens tegen zeven omvangrijk onderbouwde vorderingen tot schadevergoeding van benadeelde partijen diende te verweren.
Naar aanleiding van de toelichting door de advocaat in raadkamer is het hof voorts van oordeel dat is gebleken dat de advocaat en zijn kantoorgenoten hierbij efficiënt te werk zijn gegaan, zonder dat onnodig is gedeclareerd.
Concluderend acht het hof gronden van billijkheid aanwezig die leiden tot integrale toewijzing van het verzoek tot het gevorderde bedrag van
€ 384.604,80 (inclusief € 66.749,59 BTW).
Daarnaast dienen de rechtsbijstandskosten verband houdende met het opstellen, indienen en (in dit geval) in raadkamer behandelen van het onderhavige verzoekschrift te worden toegewezen tot het daarvoor geldende forfaitaire bedrag van € 550,-.
Het verzoek zal derhalve worden toegewezen tot
€ 384.604,80 + € 550,- = € 385.154,80
Uit het voorgaande volgt dat moet worden beslist als hierna is aangegeven.
Beslissing
Het hof:
Wijst het verzoek toe en kent aan de verzoeker uit ’s Rijks kas een vergoeding toe van
€ 385.154,80 (driehonderdvijfentachtigduizend honderdvierenvijftig EURO en tachtig CENT).
Deze beschikking is gewezen door
mr. L.F. Gerretsen-Visser, voorzitter,
mr. O.E.M. Leinarts en mr. J.A.M.J. Janssen-Timmermans, leden,
in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef,
en op 23 februari 2022 in het openbaar uitgesproken.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.

BEVELSCHRIFT VAN TENUITVOERLEGGING

Beveelt de tenuitvoerlegging van vorenstaande beschikking en de betaling uit ’s Rijks kas door de griffier van dit hof van een bedrag van
€ 385.154,80 (driehonderdvijfentachtigduizend honderdvierenvijftig EURO en tachtig CENT),

ten gunste van de verzoeker [verzoeker],

op het door zijn advocaat, mr. Th.J. Kelder, opgegeven bankrekeningnummer [nummer], ten name van de Stichting Beheer Derden Gelden van Sjöcrona van Stigt Advocaten te Rotterdam, onder vermelding van dossiernummer 1618.256.
Den Haag, 23 februari 2022
De voorzitter,
L.F. Gerretsen-Visser

Voetnoten

1.Per 1 januari 2020 vervangen door artikel 530 van Pro het Wetboek van Strafvordering.