Uitspraak
1.Het cassatieberoep
2.De bestreden beschikking
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het middel
5.Slotsom
6.Beslissing
4 september 2018.
Hoge Raad
Een politieambtenaar werd als verdachte aangemerkt in een strafzaak die uiteindelijk werd geseponeerd zonder oplegging van straf of maatregel. De ambtenaar verzocht vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 591a Sv, maar het hof wees dit af omdat de werkgever de kosten had voldaan en de ambtenaar deze niet zelf droeg.
De Hoge Raad oordeelde dat ook indien de werkgever de kosten betaalt, dit niet uitsluit dat de ambtenaar een vergoeding kan krijgen uit de Rijkskas. De regeling en wetsgeschiedenis laten ruimte voor vergoeding wanneer de ambtenaar op grond van een andere rechtsverhouding een vordering heeft op een derde, zoals de werkgever.
De Hoge Raad vernietigde daarom de bestreden beschikking en stelde vast dat het hof ten onrechte het verzoek had afgewezen. Er is geen sprake van een voorwaardelijke tegemoetkoming door de werkgever die de vergoeding aan de ambtenaar uitsluit.
De zaak benadrukt de zelfstandige positie van de ambtenaar bij vergoeding van kosten rechtsbijstand en verduidelijkt de toepassing van artikel 591a Sv in combinatie met de BARP en de Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en bevestigt dat vergoeding van kosten rechtsbijstand mogelijk is ondanks betaling door werkgever.