Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHDHA:2022:2130

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
25 oktober 2022
Publicatiedatum
26 oktober 2022
Zaaknummer
2200306220
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 225 SrArt. 68 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf wegens misbruik Covid-noodmaatregel en valsheid in geschrift

De verdachte heeft tijdens de Covid-19 pandemie misbruik gemaakt van de noodmaatregelen voor ondernemers door zijn klusbedrijf om te zetten in een kappersbedrijf zonder de vereiste opleiding, om zo in aanmerking te komen voor financiële tegemoetkoming. Hij vulde een aanvraagformulier met valse gegevens in en ontving onterecht €4.000. Daarnaast deed hij een onjuiste aangifte omzetbelasting door een onjuist bedrag aan voorbelasting op te geven.

In eerste aanleg werd de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis. In hoger beroep heeft het hof dit vonnis bevestigd, behalve de straf, die werd vernietigd en vervangen door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. Het hof nam mee dat de verdachte het geld nog niet had terugbetaald en geen verantwoording aflegde, aangezien hij niet bij de zittingen aanwezig was.

Het hof oordeelde dat het handelen van de verdachte het vertrouwen in de waarheidsgetrouwheid van officiële documenten ernstig schaadt en dat de straf in verhouding moet staan tot de ernst van de feiten en de maatschappelijke gevolgen. Tevens werd de schadevergoeding van €4.000 aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 april 2020.

De verdachte werd veroordeeld tot betaling van de materiële schade en de wettelijke rente, met een gijzelingstermijn van maximaal 50 dagen bij niet-nakoming. Het arrest is uitgesproken door het hof Den Haag op 25 oktober 2022.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en betaling van €4.000 schadevergoeding aan RVO.

Uitspraak

Rolnummer: 22-003062-20
Parketnummer: 10-996585-20
Datum uitspraak: 25 oktober 2022
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2020 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Somalië) op [datum] 1994,
adres: [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als nader in het vonnis omschreven.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:
1.
hij, op of omstreeks 8 april 2020 te Naaldwijk, althans in Nederland, een geschrift, te weten een verzoek 'Tegemoetkoming schade COVID-19' inzake AMO KL([nummer]), zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst en/of heeft doen vervalsen en/of heeft doen opmaken, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en/of te doen gebruiken, bestaande deze valsheid en/of vervalsing hierin dat verdachte bij voornoemd verzoek - in strijd met de waarheid - heeft vermeld en/of doen vermelden dat:
- zijn onderneming op 15 maart 2020 in het handelsregister stond ingeschreven onder een hoofdactiviteit die in bijlage 1 van de Tegemoetkoming schade COVID-19-regeling, inclusief de daarbij behorende code van de Standaard Bedrijfsindeling, is opgenomen en/of
- dat de onderneming tenminste één vestiging in Nederland had met een ander adres dan het priveadres van de eigenaar van de onderneming
en/of
- hij verwacht dat zijn onderneming/hij in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 tenminste 4.000 euro aan omzetverlies te lijden als gevolg van de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 en/of
- hij verwacht dat zijn onderneming/hij in de periode van 16 maart 2020 tot en met 15 juni 2020 4.000 euro aan vaste lasten heeft, ook na gebruik van andere door de overheid beschikbaar gestelde steunmaatregelen in het kader van de bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19;
2.
hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Naaldwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten:
- een aangifte omzetbelasting over de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020 van AMO KL en/of AMO Klusbedrijf,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft verdachte opzettelijk een of meerdere malen een onjuist belastingtarief gehanteerd en/of een onjuist bedrag aan voorbelasting van 11.000 euro opgenomen, terwijl dat/die feiten er toe strekten dat te weinig belasting werd geheven en/of teveel zou worden (terug)betaald.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de motivering daarvan.
Het vonnis zal op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre wordt opnieuw rechtgedaan.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft -nadat er een regeling van kracht was geworden om ondernemers die getroffen waren door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19 tegemoet te komen- meteen de volgende dag bij de Kamer van Koophandel zijn klusbedrijf omgezet in een kappersbedrijf, terwijl hij geen opleiding tot kapper had gevolgd, teneinde voor die tegemoetkoming in aanmerking te kunnen komen.
Hij heeft vervolgens een aanvraagformulier voor die tegemoetkoming met valse gegevens ingevuld, waarna hij een bedrag van € 4.000,- heeft ontvangen, terwijl hij daar geen recht op had. Voorts heeft de verdachte een
aangifte omzetbelasting onjuist gedaan en daarmee ten onrechte een teruggave aangevraagd, door een onjuist bedrag aan voorbelasting in te vullen.
Door aldus te handelen heeft de verdachte ten tijde van de corona pandemie op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld dat bedoeld was als noodmaatregel voor gedupeerde ondernemers en heeft hij het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld dat dergelijke documenten naar waarheid worden ingevuld op ernstige wijze beschaamd.
De verdachte heeft zich bij het plegen van voormelde feiten kennelijk slechts laten leiden door het verwachte geldelijke gewin, zonder zich te bekommeren om de maatschappelijke gevolgen van zijn handelen.
Het hof rekent dit de verdachte zwaar aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
27 september 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof is echter van oordeel dat de door de politierechter opgelegde taakstraf en de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde taakstraf onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten.
Het hof heeft hierbij ook in aanmerking genomen dat de verdachte tot op heden het onterecht verkregen bedrag van € 4.000,- nog niet heeft terug betaald. Voorts heeft de verdachte geen enkele verantwoording willen afleggen voor zijn handelen, nu hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep niet ter terechtzitting is verschenen.
Het hof is - alles afwegende – dan ook van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 36f, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, waaronder de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, welke beslissing als volgt luidt:

Vordering van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 4.000,00 (vierduizend euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte voorts de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 4.000,00 (vierduizend euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
50 (vijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 april 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk,
mr. W.S. Korteling en mr. J.A.W. van 't Westeinde, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 oktober 2022.
Mr. W.S. Korteling is buiten staat dit arrest te ondertekenen.