Deze zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de weigering van de rechtbank om zijn kinderen terug te leiden naar Italië op grond van het Haagse Kinderontvoeringsverdrag. De rechtbank had de terugkeer van de kinderen geweigerd vanwege verzet van een van de kinderen en een ondragelijke situatie voor het andere kind. Het hof vernietigt deze beschikking en oordeelt dat geen sprake is van de in het verdrag genoemde weigeringsgronden.
Het hof heeft de kinderen apart gehoord en concludeert dat het verzet van het oudste kind niet verder gaat dan een voorkeur om in Nederland te blijven, wat onvoldoende is voor een weigeringsgrond. Ook is geen ernstig risico op lichamelijk of geestelijk gevaar of ondragelijke situatie bij terugkeer naar Italië vastgesteld. De moeder kan terugkeren naar Italië en het contact tussen de kinderen en vader is positief.
Het hof gelast de teruggeleiding van de kinderen naar Italië uiterlijk 24 oktober 2022 en stelt de moeder verplicht om bij nalaten de kinderen met geldige reisdocumenten aan de vader af te geven. Tevens wordt Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering benoemd tot voorlopige voogd. De moeder wordt veroordeeld tot betaling van de reiskosten van de vader, terwijl de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.