De appellant heeft bij de rechtbank Rotterdam verzocht om DSW en CZ te bevelen in te stemmen met een schuldregeling, dan wel toepassing van de schuldsaneringsregeling, welke verzoeken zijn afgewezen. In hoger beroep heeft zij aangevoerd dat haar betalingsvoorstel het uiterste is waartoe zij in staat is vanwege langdurige psychische problematiek en vrijstelling van arbeidsverplichting.
DSW en CZ hebben betwist dat het voorstel het uiterste is en stelden dat onvoldoende bewijs is geleverd van behandeling of uitbehandeling van de psychische klachten. Het hof heeft het voorstel beoordeeld aan de hand van de wettelijke criteria, waarbij het uitgangspunt is dat schuldeisers niet snel gedwongen kunnen worden in te stemmen met een akkoord.
Het hof constateerde tegenstrijdige verklaringen over de arbeidsmogelijkheden van appellant, waaronder haar betrokkenheid bij een stichting in de zorgsector, en concludeerde dat onvoldoende aannemelijk is dat zij niet in staat is om inkomsten te verwerven. Ook is niet gebleken dat zij aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan door behandeling te zoeken.
Gelet op de belangenafweging weegt het financiële belang van DSW en CZ zwaarder dan dat van appellant en andere schuldeisers. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het verzoek tot dwangakkoord en schuldsaneringsregeling af.